Brent Spar was wijze les voor Shell en Greenpeace

Shell maakte gisteren bekend het olieplatform Brent Spar door een Brits-Noorse aannemerscombinatie te laten ontmantelen.

LONDEN, 30 JAN. Het hoofdstuk 'Brent Spar' is afgesloten. Binnen een jaar herinnert niets méér aan het beruchte olieplatform, dat eerst Shell en later Greenpeace op de knieën bracht dan een wonderlijk zware fundering voor een kleine veerbootkade in Noorwegen. Een korte historische terugblik.

De Brent Spar was een drijvend opslagvat voor olie uit het Brentveld dat werd ontworpen door Gusto en gebouwd door Gusto en Wilton-Fijenoord. Het flesvormige gevaarte stak 110 meter onder water. In de zomer van 1976 is het door Smit in horizontale positie naar de Noorse Erfjord versleept en daar samen met Heerema overeind getakeld. Achteraf is waarschijnlijk geworden dat de constructie hierbij licht is beschadigd. Zeker werd schade opgelopen toen in januari 1977 door een bedieningsfout onderdruk optrad en deuken en scheuren in de tankwand ontstonden. Die zijn nooit gedicht.

Dat bracht Shell Expro (een samenwerking van Shell en Esso) in moeilijkheden toen na 1991 een eindoplossing voor de overbodig geworden Brent Spar moest worden gevonden. Opnieuw horizontaal brengen leek te riskant, ook voor het personeel. Na uitputtende studies, voor een groot deel openbaar, werd besloten de Spar in de Atlantische oceaan te dumpen. De Britse overheid, die in dit soort kwesties de Best Practicable Environmental Option (BPEO) eist, ging in februari 1995 akkoord. Internationale maritieme overeenkomsten verzetten zich hooguit in de geest tegen het besluit.

Op 30 april 1995 bezetten actievoerder van Greenpeace het platform. Greenpeace vreesde dat dumping een ongunstig precedent zou scheppen en wilde een discussie over de gewenste eindbestemming van de honderden andere platforms op de Noordzee. Het ging dus niet zozeer om de Brent Spar zelf, het ging om de precedentwerking. Maar Shell heeft vanaf het eerste begin tegengesproken dat dumping de regel zou worden, het zou hooguit een hoge uitzondering zijn. Om de bezetting van de Spar te 'legitimeren' verstrekte Greenpeace op 1 mei een overzicht van de gevaarlijke materialen die in de Spar aanwezig waren, waarvoor men zich op opgaven van Shell baseerde. Het kwaad kwam vooral van de opofferingsanoden, batterijen, elektrische bekabeling en armaturen die Shell had achtergelaten. Ook waren er olieresten en licht radioactief materiaal dat van nature, opgelost in water, in aardolie voorkomt.

Niet alleen voor Shell, ook voor Greenpeace kwam de reactie van politiek en publiek op de bezetting als een verrassing. Ministers berispten Shell, bondskanselier Kohl maande premier Major, en Duitse activisten staken Shell-pompen in brand. Het tot dan behoedzaam opererende Greenpeace Nederland werd door Greenpeace Duitsland voorbijgestreefd. Opeens concentreerde alle aandacht zich op de Brent Spar zelf, die van de weeromstuit 'een chemische tijdbom' werd genoemd.

Ook binnen de Shell-organisatie nam de verwarring toe. Halverwege juni kwamen vanuit het bedrijf tegenstrijdige uitspraken over de bestemming van de Spar, die toen al richting oceaan ging. Op 19 juni meldde Greenpeace dat er honderd keer zoveel olie in de Spar was gevonden als door Shell opgegeven. Op 20 juni capituleerde Shell, de Spar werd afgemeerd in de diepe Erfjord in Noorwegen. Bureau Det Norske Veritas (DNV) zou in opdracht van Shell onderzoeken of er onjuiste opgaven waren gedaan over de inhoud van de Brent Spar.

Greenpeace' triomf duurde tot 5 september, toen de organisatie na gesprekken met DNV moest toegeven dat zij de hoeveelheid olie aan boord van de Brent Spar had overschat. Men bood Shell excuses aan. In oktober maakte DNV op een persconferentie bekend dat Shell een juiste opgave had gedaan en dat niet was gebleken dat er giftig afval op de Spar was verstopt, zoals Greenpeace ook nog had beweerd.

Gesterkt door de stemmingsomslag begon Shell een krachtig media-offensief. Iedereen werd uitgenodigd voorstellen te doen voor de eindbesteming van de Spar, er kwam een Internet-site en er werden speciale CD-ROMs uitgegeven. Uit de meer serieuze voorstellen werd een 'long list' van twintig, soms tamelijk futuristische, plannen geselecteerd die voor nadere bestudering in aanmerking kwamen. Parallel aan de selectieprocedure begon een 'dialoog' met speciale genodigden (waaronder Greenpeace) over de criteria die voor de eindoplossing moesten worden gehanteerd. Een eerste - besloten - Brent Spar seminar had in november 1996 in Londen plaats. Openbare bijeenkomsten volgden in Kopenhagen, Rotterdam en Hamburg.

Toen in januari 1997 de 'short list' werd gepubliceerd van de zes bedrijven die een detailplan mochten uitwerken, bleek dat de verbeelding niet langer aan de macht was. Het wildste plan dat overbleef was een hergebruik van de topside als trainingscentrum, en ook dat werd later geschrapt. Opnieuw werd DNV ingeschakeld voor vergelijking van de plannen op de punten technische haalbaarheid, veiligheid, milieu-aspecten en kosten. Stuk voor stuk werden de uitkomsten afgezet tegen de oorspronkelijke 'deep dumping'.

Alles bleek technisch haalbaar, maar qua veiligheid (uitgedrukt in het aantal manuren dat aan de Spar gewerkt moet worden) bleven alle oplossingen achter bij de dumping.

Wood-GMC (die de Brent Spar als fundering voor een havenkade wil gebruiken) en Brown and Root (die totale sloop in Schotland voorstaat) scoorden nog het minst ongunstig. Omdat volgens de milieucriteria die de Brent Spar-dialoog opleverde (zoals: liever hergebruik dan recycling) Wood-GMC ook net wat beter scoorde dan Brown and Root kreeg Wood de opdracht.

Heeft dus de BPEO-procedure die we in 1994 voor de Britse overheid doorliepen toen al de verkeerde oplossing opgeleverd, vraagt Shell zich in een schriftelijk vraag-en-antwoordspel met zichzelf af. Antwoord: nee, in 1994 was nog geen zicht op hergebruik van de Spar. Ook ontbrak toen toestemming van de Noorse autoriteiten voor ontmanteling in de Erfjord. In 1994 was er alleen de keuze tussen totale sloop of dumping. Daarin had dumping de voorkeur.