Bismarck tussen idylle en staat; Een mislukte verzoening

Christian Graf von Krockow: Bismarck. Deutsche Verlags-Anstalt, 495 blz. ƒ 55,20

Op 30 juli 1998 is het honderd jaar geleden dat Otto von Bismarck is overleden. Het beeld dat hij oproept, is buitengewoon tegenstrijdig. Enerzijds was hij de grote, door velen vereerde, staatsman die in 1871 met de stichting van het keizerrijk de eerste Duitse eenwording tot stand heeft gebracht. Anderzijds was hij na zijn dramatische ontslag in 1890 degene die een omstreden erfenis naliet, die volgens sommige historici rechtstreeks naar Hitlers Derde Rijk leidde. Ook is Bismarck een gecompliceerde persoon, aan wie al verschillende biografieën (onder meer van Lothar Gall, Ernst Engelberg en Otto Pflanze) gewijd zijn. Christian Graf von Krockow, voormalig hoogleraar politicologie en bekend publicist op het gebied van de Duitse geschiedenis, doet nu een poging om van de tegenstrijdigheden in Bismarcks persoon en werk een coherent beeld te schetsen. Hij schrikt er niet voor terug soms wel erg eenvoudige conclusies te trekken.

Er zit een aantal raadselachtige aspecten aan het leven van Bismarck. Zijn denken en handelen bestond uit een unieke combinatie van hardheid en wijsheid, van strijdbaarheid en gematigdheid, van cynisme en realisme. Achter zijn grove botheid en vele driftaanvallen ging een gevoelige kunstenaarsziel, een erudiet en belezen man schuil. Hij kon haten als de pest, maar was ook een liefdevol echtgenoot en vader. Hij was een gepassioneerd jager die liever met bomen sprak dan met mensen omging, maar ook een man die meer van de wereld zag dan de gemiddelde Pruisische Junker. Aanvankelijk was hij een complete outsider in de politiek. Ook op het hoogtepunt van zijn bijna onaantastbare roem als rijkskanselier gedroeg hij zich als een zonderlinge 'Einzelgänger'. Krockow doet nauwelijks moeite dit alles te verklaren, maar laat vooral Bismarck in zijn memoires, brieven en redevoeringen langdurig zelf aan het woord zonder een echte analyse te geven. Vooral in zijn, na 1890 geschreven Gedanken und Erinnerungen was Bismarck de behendige regisseur van zijn eigen mythe.

Pommeren

Om het opmerkelijke succes van Bismarck te begrijpen moeten we terug naar het begin. Op 1 april 1815 werd Otto Bismarck-Schönhausen geboren als zoon van een niet erg aanzienlijke herenboer in Pommeren en een ambitieuze moeder van burgerlijke afkomst. Von Krockow wijst op één wezenskenmerk van Bismarck dat volgens hem als een rode draad door zijn hele leven loopt. Zijn vroegste jeugdervaringen waren vooral bepaald door de landelijke idylle waarin hij op Kniephof, het landgoed van zijn vader, was opgegroeid. Zijn leven was er steeds op gericht deze idylle te beschermen in een maatschappij die snel aan het veranderen was. Zijn honger naar macht stond niet in tegenspraak met dit verlangen naar rust en geborgenheid, maar waren nauw met elkaar verweven. Ook later als rijkskanselier was hij steeds bezig met de uitbreiding van zijn bezit, gedreven door de angst zijn landgoederen te verliezen.

De loopbaan als ambtenaar die zijn moeder - wier essentiële rol in Bismarcks opvoeding opvallend onderbelicht blijft - voor hem had uitgestippeld werd een volledige mislukking. Hij ontwikkelde een grote hekel aan bureaucratie en militaire discipline. Na zijn gymnasiale opleiding in Berlijn leidde hij als student een zwervend, avontuurlijk en tamelijk eenzaam bestaan, totdat hij na een aantal mislukte liefdesaffaires zijn vrouw Johanna von Puttkamer ontmoette, bij wie hij eindelijk innerlijke rust en dankzij haar piëtisme een persoonlijke geloofsbeleving vond. De brief aan zijn aanstaande schoonvader waarin hij om haar hand vroeg, was een hoogstandje van diplomatieke overtuigingskunst en religieus realisme.

Bij toeval kwam Bismarck in 1847 - het jaar waarin hij met Johanna trouwde - als afgevaardigde in de Pruisische Landdag terecht. Sindsdien overheerste de politiek zijn bestaan. Krockow verklaart Bismarcks felle haat tegen de revolutie van 1848 uit de bedreiging van het idyllische landleven. Zijn optreden was erop gericht de Pruisische monarchie tegen elk prijs te beschermen en te verdedigen. In de revolutiedagen vestigde hij zijn reputatie als 'rode reactionair', van wie de Pruisische koning zei alleen in uiterste nood gebruik te willen maken.

Na het herstel van de conservatieve macht bracht Bismarck in 1850 in zijn rede over het verdrag van Olmütz voor het eerst duidelijk zijn politieke concept onder woorden: staten hebben geen ander doel dan het verdedigen en uitbouwen van hun macht. Hij sprak zich uit tegen de sentimentele politiek van de nationale beweging en pleitte voor een bikkelhard staatsegoïsme. Zijn denken was anti-utopisch en anti-ideologisch en wars van elke vorm van partijpolitiek en dogmatisme. Hij was de 'weisser Revolutionär', die revolutionaire middelen inzette om de oude orde te beschermen. Het ging hem om een revolutie van bovenaf.

Pruisen

Als dank voor zijn optreden, waarmee een oorlog tegen Oostenrijk was voorkomen, werd Bismarck door koning Friedrich Wilhelm IV als afgevaardigde naar de Frankfurter Bundes-tag gestuurd. Daar zag hij in dat de Duitse eenwording alleen onder leiding van Pruisen en dus zonder Oostenrijk gerealiseerd kon worden. Ook na de Pruisische overwinning bij Königgrätz op 3 juli 1866, waar de Oostenrijkers glansrijk werden verslagen, was Bismarck opvallend gematigd in zijn optreden, in tegenstelling tot de koning en de militaire leiding die Wenen hard wilden aanpakken. Met dit staaltje van tactisch vernuft boekte hij een paradoxaal succes. De nationaal-liberale beweging kon hij zo voor zijn karretje spannen; deze liet nu eenheid voor vrijheid gaan. Tegelijkertijd kon hij niet verhinderen dat de Noord-Duitse Bond en later het keizerrijk een snelle modernisering doormaakte die in wezen haaks stond op zijn eigen belangen als Junker en zijn conservatieve politieke uitgangspunten. Het leek alsof hij steeds het onvermijdelijke probeerde tegen te houden, doordrongen als hij was van het feit dat hij de loop van de geschiedenis slechts kon bijsturen, maar niet kon sturen.

Niet het jaar 1871, met de Duitse eenwording na de Frans-Duitse oorlog, vormt de grote breuk in Bismarcks carrière, maar het moment waarop hij in september 1862 het ambt van minister-president van Pruisen aanvaardde. In dat jaar werden de wissels in de Duitse en Europese geschiedenis omgezet. Pruisen verkeerde op dat moment in een dubbele crisis. In de eerste plaats was er sprake van een harde confrontatie tussen de kroon en het parlement over de kwestie van de legerhervormingen, maar in wezen ging het om het voortbestaan van de machtspositie van de Pruisische monarchie. Koning Wilhelm I dacht zelfs aan aftreden. Was dit gebeurd, dan was een parlementaire demokratie naar Engels model zeker niet uitgesloten geweest. Tegelijkertijd werd de Duitse nationale beweging, ondanks de verloren revolutie van 1848/49, steeds sterker. Maar Pruisen was nog geen nationale staat. Bismarck werd als reddende engel uit Parijs teruggeroepen, waar hij nog maar kort gezant was, en wist met ijzeren hand beide problemen op te lossen. Enerzijds slaagde hij erin door drie korte oorlogen de klein-Duitse eenheid te bewerkstelligen, anderzijds wist hij het conservatieve Pruisische staatsbestel in het nieuwe keizerrijk te implanteren. Daarmee had Bismack de kracht van de liberale burgerbeweging gebroken. Deze bereikte weliswaar haar doel, namelijk eenheid, maar dit gebeurde niet op eigen kracht. Naderhand maakte de nationaal-liberale partij de fatale vergissing af te zien van een echt parlementair regeringssysteem.

Na 1871 was Bismarcks werk eigenlijk gereed en komen we bij een ander groot raadsel. Was hij eigenlijk wel echt geïnteresseerd in wat hij tot stand had gebracht? Bismarck kwam zonder vijandbeeld te zitten en verzon er derhalve een om de natie tot één geheel te smeden. Hieruit verklaart Krockow zijn verkapte binnenlandse oorlog, eerst tegen de katholieken en na 1878 tegen de socialisten. De genadeloze vervolging van deze 'Reichsfeinde' had overigens een averechts effect: beide partijen groeiden tegen de verdrukking in.

Ook de buitenlandse politiek was problematisch. Na 1871 streefde Bismarck naar de integratie van Duitsland in het Europese statenstelsel. Er ontstonden echter spanningen doordat het rijk niet was afgerond tot een groot-Duits rijk en door de erfvijandschap met Frankrijk vanwege de annexatie van Elzas-Lotharingen. Hij verklaarde Duitsland voor 'saturiert' en deed er alles aan om een grote Europese oorlog te voorkomen. Daarin is hij dankzij zijn alliantiepolitiek wonderwel geslaagd, misschien niet omdat de buurstaten zo graag oorlog wilden voeren maar meer omdat Bismarck als 'eerlijke makelaar' van Europa optrad en veel zelfbeheersing aan de dag legde, ook in het kolonialisme.

Toch kan men zich niet aan de indruk onttrekken dat Bismarck, regelmatig overmand door angsten, depressies en kwalen als vraat- en drankzucht, op de lange duur steeds minder greep kreeg op de politieke situatie. De crisis van 1875 rond Frankrijk werd hem bijna noodlottig. Wilhelm I kon Bismarck er ter nauwernood van weerhouden om ontslag te nemen. Slechts zes maanden van het jaar was de rijkskanselier in Berlijn te vinden. De rest van de tijd trok hij zich terug op zijn buitenverblijf Varzin. Zijn grote geluk was dat hij als dienaar van de monarch door Wilhelm I beschermd werd en dat de keizer zo lang leefde. Zodra deze stierf, ging het dan ook mis. Een conflict met de wispelturige Wilhelm II was onvermijdelijk en leidde tot Bismarcks aftreden in 1890.

In de analyse van de consequenties van Bismarcks erfenis is Krockow het minst geslaagd. De rijkskanselier zou de angst voor het rode gevaar er bij de burgerij ingepompt hebben, waardoor haar politieke zelfbewustzijn zou zijn gebroken. Puur machtsdenken en staatsverering behoorden voortaan tot de identiteit van het keizerrijk. Het nationalisme maakte door zijn toedoen een ruk naar rechts. Ethische principes werden met voeten getreden en het vriend-vijand-denken werd door Bismarck als een gif geïnjecteerd. Al deze aspecten zijn door andere en betere studies al eerder gerelativeerd. Daarbij valt natuurlijk niet te loochenen dat de demokratisering door Bismarcks binnenlandse politiek werd geblokkeerd hetgeen tot één van zijn meest belastende erfenissen behoort. Op sociaal gebied bereikte hij met zijn sociale verzekeringswetten wel successen.

Het gevaar bestaat natuurlijk Bismarck verantwoordelijk te stellen voor alles wat er later in Duitsland is gebeurd, met name tijdens de Eerste Wereldoorlog, de Weimar-republiek en het Derde Rijk. Bismarcks buitenlandse politiek was op de korte termijn succesvol, maar werd Duitsland op de lange duur noodlottig, luidt de eenvoudige stelling van Krockow. Dit finalistische denken staat een heldere analyse van de Duitse buitenlandse politiek in de weg. Natuurlijk was de uitdagende vlootpolitiek van de onevenwichtige keizer Wilhelm II en diens minister Alfred von Tirpitz vol risico's. Ze provoceerde onnodig de vijandschap met Engeland. Maar het was Bismarck die vanuit zijn landgoed Friedrichsruh voortdurend voor een onbezonnen buitenlandse politiek waarschuwde, ook toen hij allang met pensioen was en artikelen schreef voor de Hamburger Nachrichten. Misschien was het een van zijn fouten om zich vast te klampen aan de door nationale kwesties verscheurde Dubbelmonarchie, maar uiteindelijk leverde de Russisch-Oostenrijkse belangenstrijd op de Balkan het kruit voor de Eerste Wereldoorlog. Het was de 'Mittellage' in Europa, die het Duitse keizerrijk voor schier onoplosbare problemen stelde, die door de zwakke opvolgers van Bismarck niet opgelost konden worden. Dit kan men Bismarck echter nauwelijks kwalijk nemen.

Conservatieve verzetsheld

Krockow heeft de hinderlijke gewoonte in zijn verhaal vooruit te grijpen. Hij gaat zelfs zover zich voor te stellen hoe Bismarck zich in de jaren twintig en dertig zou hebben gedragen. Bismarck doet hem denken aan de conservatieve verzetsheld tegen Hitler, Ewald von Kleist-Schmenzin. Hier speelt von Krockows eigen Pommerse achtergrond hem blijkbaar parten, waardoor hij te veel uitgaat van een kunstmatige splitsing tussen een zogenaamd 'goede' Pruisische traditie en een 'foute' Duits-nationale traditie.

Na zijn dood op 30 juli 1898 groeide Bismarck uit tot een alom bejubelde, mythische cultfiguur; meer dan 500 monumenten zijn er ter ere van hem opgericht. Dit had meer te maken met de behoefte aan zekerheid en zelfvertrouwen onder de Duitse burgerij dan met de historische betekenis van Bismarck zelf. De jongere generatie van de socioloog Max Weber, die zich beklaagde over de vloek van haar epigonendom, stortte zich volgens Krockow uit een drang om zich te bewijzen in het wilde avontuur van de 'Weltpolitik'. Niet economische motieven en het bevolkingsoverschot lagen aan de basis van Duitslands streven naar een plaats onder de zon. Het waren meer irrationaliteit en verdrongen machtsdromen van de burgerij - gevoed door de behoefte om uit de schaduw van Bismack te treden - die uiteindelijk tot de catastrofe van 1914-1918 en de ondergang van het keizerrijk hebben geleid. Of alleen daarmee het uitbreken van de oorlog in 1914 valt te verklaren, is de vraag. Krockows behandeling van de wilhelminische periode is wel erg oppervlakkig.

Tot slot kan men zeggen dat het huidige Duitsland nog maar in weinig op Bismarcks rijk lijkt. Toch is zijn creatie in zekere zin behouden gebleven, weliswaar met andere grenzen en belast met de ervaring van twee wereldoorlogen en de Duitse deling. De betekenis van Bismarck ligt in het feit dat hij Duitsland als moderne natie-staat op de kaart van Europa heeft gezet en dus die kaart ook mede heeft bepaald. Hij is ongetwijfeld de belangrijkste politicus van de moderne Duitse geschiedenis. Daarom verdient hij een betere, diepgravender en minder obligate biografie dan Krockow geschreven heeft.