Behandeling met voorrang blijft, maar praten erover blijft taboe

Sinds de privatisering van de ziektewet hebben werkgevers groot belang bij snelle genezing van zieke werknemers. De Kamer wilde daar meer over weten, maar haar haar opvatting stond al op voorhand vast.

DEN HAAG, 30 JAN. Eindhoven bezat decennia lang uitgebreide medische voorzieningen, waaronder een polikliniek, die uitsluitend waren bestemd voor de medewerkers van Philips en hun gezin. Het bedrijf werd er in brede kring om gewaardeerd.

Misschien was dat ten onrechte, zo werd deze week gesuggereerd tijdens een ronde-tafelgesprek dat de Tweede Kamer hield over voorrang in de gezondheidszorg. Zo betoogde de patiëntenbond dat Philips er 'tweedeling' in de gezondheidszorg mee had verzoorzaakt.

Maar kregen daardoor de andere Eindhovenaren later hulp in het ziekenhuis? Of misschien zelfs minder? Of leidt dit tot een apart zorgcircuit dat niet voor iedereen toegankelijk is, zoals onder meer de aan het gesprek deelnemende werkgevers en vakbonden betoogden?

Eén ding is zeker: voorrangsbehandeling bestond, bestaat nog steeds en vindt op ruime schaal plaats. De organisatie ervan is informeel - gebaseerd op goede banden met de behandelaar. Daarnaast zijn of worden er formele intiatieven genomen om categorieën werkenden een voorkeursbehandeling te geven: een ruggenpoli voor werknemers in de bouw, een danserspoli voor balletdansers en musici, een bedrijvenpoli voor werknemers van een aantal Gelderse bedrijven. En die voorzieningen worden in belangrijke mate gefinancierd door bedrijven of bedrijfstakken. Werkgevers en uitvoeringsorganisaties in de sociale zekerheid 'kopen' op grote schaal psychologen en psychiaters voor de behandeling van psychische problemen, zoals stress, bij zieke werknemers.

Het leidt allemaal tot voorrang bij de behandeling, want niet alleen loopt vaak de diagnose bijna als vanzelfsprekend over in therapie, ook zal na een snellere diagnose ook een snellere behandeling volgen. Daarmee staat 'tweedeling' op de stoep, aldus de de deelnemers (werkgevers, vakbonden, artsenorganisaties, ziekenhuizen, verzekeraars en patiëntenbonden) aan het ronde-tafelgesprek.

Deze eensgezindheid was opmerkelijk, want in de standpunten die de deelnemers vooraf op papier naar de Tweede Kamer hadden gezonden was bij verschillende partijen iets anders te lezen. Het opvallendst was dit bij de vakbonden, die in de Stichting van de Arbeid, het overlegorgaan van werkgevers en werknemers, nog vonden dat er met bedrijvenpoli's niets mis was - tot woede overigens van FNV-voorzitter L. de Waal. Maar ook VNO-NCW, Inspectie voor de Gezondheidszorg, bedrijfsartsen, ziekenhuizen en verzekeraars zagen vooraf nog wel iets in bedrijvenpoli's, al voegden de meeste er als voorwaarde aan toe dat de niet-werkende patiënt daar geen schade van zou mogen ondervinden. Daarom zouden ziekenhuizen de inkomsten uit de bedrijvenpoli's moeten mogen houden, aldus inspecteur H. Plokker. Hij stelde voor om de budgetregels in die zin te veranderen.

Het waren opvattingen die een meerderheid in de Tweede Kamer niet wenste te horen. Meer dan eens hebben in het afgelopen jaar PvdA, D66 en CDA aangegeven dat ze 'op principiële gronden' tegen bedrijvenpoli's waren. En tijdens het ronde-tafelgesprek lieten met name PvdA en D66 niet na de deelnemers met de opvatting dat bedrijvenpoli's tot de onwenselijke tweedeling leidt, aan dit uitgangspunt te herinneren. Aangezien niemand ervan beticht wilde worden vóór de 'niet-sociale tweedeling' te zijn, was de uitkomst van het gesprek op voorhand bepaald.

Toch kunnen minister en Tweede Kamer formeel niets doen aan bedrijvenpoli's, aldus de juriste M. de Lint in haar scriptie De juridische toelaatbaarheid van bedrijvenpoliklinieken. De wet staat bedrijvenpoli's toe. Ze vormen, onder voorwaarden, ook geen belemmering voor een rechtvaardige verdeling van de gezondheidszorg, aldus De Lint.

De werkelijkheid trekt zich dan ook zelden iets aan van de wenselijkheid. Terwijl de Kamer blijft herhalen dat bedrijvenpoli's niet mogen, omdat tweedeling het einde van solidariteit in de gezondheidszorg betekent, gaan de ontwikkelingen gewoon door. Vandaar de oproep van het Kamerlid Van Boxtel (D66), tegen het einde van het ronde-tafelgesprek, aan artsen, ziekenhuizen en verzekeraars om een moratorium af te kondigen voor ontwikkelingen die werkenden kunnen bevoordelen boven niet-werkenden. Maar vandaar ook het antwoord van betrokkenen: doodse stilte.