Angst voor verloedering van het literatuuronderwijs is ongegrond

De introductie van een 'leesdossier', dat bij leerlingen belangstelling voor literatuur moet wekken, heeft veel onrust doen ontstaan. Volgens Wam de Moor is die onrust overtrokken want de kloof die nu bestaat tussen 'natuurlijk' lezen en 'schools' lezen zal er juist kleiner door worden.

Docent Jos Radstake sprak in deze krant (7 januari) zijn vrees uit voor de gevolgen van de invoering van de tweede fase en de veranderde opzet van het literatuuronderwijs. Die vrees wordt hem ingegeven door de didactiek van het 'zelfstandig leren' waartoe de tweede fase aanzet en de plannen voor het onderwijs in de Nederlandse literatuur.

Radstake laakt de afschaffing van de literatuurgeschiedenis in de Havo en noemt de beperking van een verplichte boekenlijst voor de Havo tot acht boeken het minimaliseren van het lezen zelf. Hij vindt de omschakeling van 'cultuuroverdracht' naar de persoonlijke leeservaring van de leerlingen een verlies, omdat hij er kennelijk van uitgaat dat zij deze zullen moeten opdoen zonder benul van de context van dat werk. Hij kan ook niet geloven in de plannen om de culturele kant van het vak Nederlands te versterken door samen te werken met de andere talen en met het nieuwe vak culturele- en kunstzinnige vorming.

Een citaat uit zijn artikel: “Over de verschrikkingen die de docent Nederlands te wachten staat bij de begeleiding van het 'leesdossier', waarin 'de beschrijving, verdieping en evaluatie van de persoonlijke leeservaring' worden vastgelegd, zal ik het maar niet hebben.” Dat laatste had Radstake nu juist wél moeten doen. Want nagenoeg alles waarvoor hij zo benauwd is, heeft nu net te maken met het principe dat aan dit leesdossier ten grondslag ligt. Leerlingen wordt daarmee de smaak van literatuur bijgebracht doordat ze bewust worden gemaakt van hun leesvoorkeuren.

Het streven om van vier stukjes literatuuronderwijs één groter geheel te maken, met een accent op de Nederlandse literatuur en bijdragen vanuit de drie moderne talen, is gebaseerd op twee argumenten: het wegnemen van overlap tussen de verschillende vakken en het optimaal benutten van de verminderde beschikbare tijd. Ook de grote verschillen die tussen leerlingen bestaan in hun belangstelling voor literatuur - en andere kunstvormen - moeten in de nieuwe opzet meer tot hun recht komen. Het is voortaan niet meer per se de leraar die aan de leerlingen zijn voorkeuren aanbiedt. Het is de bedoeling dat ook media in het onderwijs een rol gaan spelen, van videomateriaal, cd-rom (recensies, interviews) en internet tot bibliotheek on-line.

Sinds het begin van de jaren negentig is door didactici en docenten geëxperimenteerd met vakoverstijgend literatuuronderwijs. In scholen wordt vanaf september 1996 nagegaan wat de mogelijkheden van dit 'geïntegreerd literatuuronderwijs' zijn. De vermindering van concrete lestijd per vak, bevorderde de realisering van een verlangen dat al in de jaren '50 door J.C. Brandt Corstius is uitgesproken. Deze hoogleraar algemene literatuurwetenschap bepleitte één literatuuronderwijs, met één literatuurgeschiedenis van (voorlopig West-) Europa. De overlap in stromingen en in roman- en poëzieanalyse verdwijnt. Maar daar voor in de plaats komt een evident accent te liggen op de éigen literatuur.

Het zijn juist docenten geweest die regelmatig hebben gemeld, dat de meeste 'havisten' een broertje dood hebben aan uitgebreide informatie over de literatuur. Zij zouden aanzienlijk beter te motiveren zijn tot het lezen van boeken wanneer zij hun smaak mogen volgen. In dit verband geldt dat alle onderwijs, zeker ook literatuuronderwijs, initiërend is. Het moet de smaak bijbrengen en niet het eten tegen maken. Maar dat leerlingen van de Havo op hun eindexamen geen verantwoording hoeven af te leggen van hun kennis van de literatuurgeschiedenis, betekent nog niet dat zij deze context niet zou moeten meekrijgen. Radstake, maar ook anderen zoals de hoogleraren mediëvistiek Van Oostrom en Pleij, gaan er ten onrechte vanuit dat met de verdwijning van de literatuurgeschiedenis als 'eindterm' een leerling niet meer over ons culturele verleden wordt geïnformeerd.

De bepaling om acht boeken te lezen in het Havo-onderwijs en twaalf in het VWO is evenzeer gebaseerd op de beschikbare studietijd. Maar nog afgezien dat het hier om minimumeisen gaat, vind ik zulke aantallen in titels eigenlijk onverstandig. De uitvreter (32 blz.) en De ontdekking van de hemel (900 blz.) zijn onvergelijkbare grootheden. Ik zou de bepaling dan ook liever interpreteren als een schatting van de totale verplicht te lezen hoeveelheid literatuur. Dat komt neer op zo'n 200 bladzijden per titel. Als je de richtlijn op deze manier opvat, zou binnen het totale aantal pagina's ruimte komen voor het lezen, klassikaal en individueel, van kortere teksten, waarover door docent en leerlingen doelgericht gediscussieerd kan worden.

Je zou bijvoorbeeld van een abelspel en Reinaert (voor Havo in bewerking) uit kunnen gaan, en via de rouwgedichten en de Lucifer van Vondel, Hoofts Sonnetten, een paar van Bredero's gedichten, uitkomen bij een bloemlezing met korte verhalen van onze beste hedendaagse auteurs. Zo'n keuze zou de kennismaking met veel meer dan acht of twaalf schrijvers mogelijk maken.

Radstake heeft uiteraard last van een keurslijf. Maar de didactiek die ontwikkeld is, is er om de gemiddelde docent bij zijn werk te helpen. Blijkens onderzoek worstelen velen met de volstrekte gedemotiveerdheid van hun leerlingen. Een van de redenen daarvoor was de wijze waarop het literatuuronderwijs werd gegeven: níet persoonlijk, níet met de vraag naar het persoonlijke oordeel van de leerlingen. Alleen de bijzondere smaak van de docent telde in die gevallen, en veel leerlingen - niet allemaal - hadden daar lak aan.

In het nieuwe vak wordt nu ook voor het eerst leerlingen getoond dat literatuur en de andere kunsten in een gemeenschappelijke (doorgaans westerse) cultuur zijn ingebed. Juist de leraar Nederlands - en die van de moderne talen - kan hier een belangrijke rol spelen. Hij is vaak de trekker van culturele activiteiten buiten de les, én hij heeft altijd het accent gelegd op de ontvangst - en niet de productie van literatuur. In de culturele en kunstzinnige vorming gaan de leerlingen via de culturele activiteiten behalve wereldliteratuur lezen, ook bezoeken brengen aan concertzaal, schouwburg en museum.

Zijn docenten alleen maar toeleveranciers voor de schrijvers die in het Letterkundig Museum te kijk en te lezen staan als zij op de ouderwetse manier ex cathedra vertellen hoe geweldig onze grootheden zijn, behorende tot stroming zus of zo? Dat geloof ik niet. Er zijn ook andere wijzen van enthousiasme, van begeestering mogelijk. Het zal Radstake niet zijn ontgaan dat al meer dan twintig jaar sprake is van een ontwikkeling in procedures en methoden, dat we prachtige boeken hebben die leerlingen kunnen raadplegen.

Een van die methoden is het leesdossier. Leerlingen wordt gevraagd persoonlijk verslag te doen van wat ze lezen, wat ze daarvan vinden en waarom ze dat vinden. Dat is pure winst. Het is hetzelfde wat op natuurlijke wijze in leeskringen gebeurt. De kloof tussen 'natuurlijk' lezen en 'schools' lezen wordt zo verkleind. Het leesdossier is de vinger aan de pols, voor leerling en docent, en voorkomt dat alles neerkomt op dat éne beslissende tentamen en de raadpleging van de uittrekselboeken.