Vals bewustzijn

Het aardigste van de conferentie bij de viering van vijftig jaar PSF (Politieke en Sociale Faculteit) was de sessie die ging over allerlei verwikkelingen aan die 'zevende faculteit' van de Universiteit van Amsterdam in de jaren zeventig. Daarin kwam de affaire-Den Hollander ter sprake en de affaire-Daudt, waarover in deze krant al kortgeleden bericht werd.

Er werden vooral herinneringen opgehaald aan de marxistische activisten uit die periode. Sociale wetenschappen studeren betekende toen voor een grote groep studenten: zich in dienst stellen van het proletariaat.

Ik herinner me nog hoe ik tijdens een college in 1971 opmerkte dat Adolf Hitler in Duitsland aan de macht had kunnen komen door de steun van de arbeiders. Studenten kwamen in de banken overeind. Ze begonnen te schelden dat ik de Duitse arbeider beledigd had en het scheelde niet veel, of ze waren me te lijf gegaan.

Later in datzelfde jaar boden studenten tijdens een werkgroep tegen elkaar op wie de meest proletarische achtergrond had. Want hoe lager je vader stond in de sociale hiërarchie, hoe groter je status was in de groep.

Tijdens die conferentiesessie werd het woord gevoerd door voormalig marxisme-goeroe Ger Harmsen. Daar had ik in de jaren zeventig in een artikel voor Vrij Nederland in een terzijde een onaangename opmerking over gemaakt. De dag na het verschijnen van dat stuk stampte een kleine studentendelegatie dreigend mijn kamer op het Sociologisch Instituut binnen. Dat ik mijn excuses moest aanbieden en die opmerking onmiddellijk moest rechtzetten. De leider van het groepje had het soort laarzen aan en droeg zo'n vaal groene leren jas, waarmee de Grüne Polizei in de oorlog mijn vader uit zijn onderduikplaats gesleept had. Er zat aan dat activisme een grimmig totalitair kantje.

Harmsen zei nu dat ze voor een deel verkeerd begrepen waren, maar dat ze misschien ook wel erg drammerig met hun wetenschap waren beziggeweest. Want marxisme, maoïsme, trotskisme stonden in die tijd als 'wetenschap' tegenover het burgerlijke denken, dat wel wetenschap genoemd werd, maar dat natuurlijk eigenlijk niet was. 'Burgerlijke' docenten konden bij alle soorten onderwijs worden ingeschakeld, tenslotte wisten ze van alles even weinig. 'Marxistische' docenten daarentegen gaven uiteraard alleen les over hun 'leer'.

U kent het nog wel: onderbouw, bovenbouw, opgehoopte arbeid, meerwaarde en de onafwendbare ondergang van het kapitalisme. Van dat verfoeilijke systeem, waarin de arbeiders op hardvochtige wijze werden uitgebuit. Er werd een één-dimensionale wereld geschetst, waarin de arbeiders door de kapitalisten werden opgejut om zich dood te werken tegen een laag loon, terwijl ze tegelijkertijd door diezelfde kapitalisten werden gemanipuleerd om dat zuurverdiende loon uit te geven aan volstrekt nutteloze zaken. En omdat de arbeiders bovendien een 'vals bewustzijn' hadden moest de nieuwe generatie sociale wetenschappers hen helpen zich uit deze slavernij te bevrijden.

De beste marxistische geleerden kwamen indertijd uit de Bondsrepubliek, want in Duitsland was vroeger het marxisme immers uitgevonden. In Duitsland waren ze deze wetenschappers liever kwijt dan rijk en ze werden daar in de jaren zeventig via een 'Berufsverbot' uit het onderwijs verwijderd. In Leiden, Amsterdam en vooral in Nijmegen werden ze met open armen ontvangen.

Nu behoren die marxistische teksten niet tot de makkelijkste literatuur. Maar het gekke was dat, terwijl bij de 'burgerlijke' docenten alles in het Nederlands of eventueel in eenvoudig Engels moest worden aangeboden, de teksten bij de marxisten niet moeilijk genoeg konden zijn.

Hoe ingewikkelder en vaak onbegrijpelijker het verhaal, des te sterker deze studenten het idee hadden dat het hier om belangrijke wetenschappelijke uitspraken ging. Zei niet Nicolaas van Cusa indertijd over dat andere ware geloof, het geloof van de katholieken, dat het wel waar moest zijn, omdat het zo onbegrijpelijk was?

Ach, die marxistische activisten... Ze bezaten een wonderlijke bevlogenheid, waar we toen grote moeite mee hadden. Maar wanneer je naar de studenten van nu kijkt, vaak netjes in het pak, werkend aan hun CV, op zoek naar marktconforme kennis en nauwelijks agerend tegen een echt kapitalistische onderwijspolitiek, dan zou je toch wel weer wat van die kritische mentaliteit, van die ideologische bevlogenheid terug willen hebben.

Naar verluidt vormt koningin Beatrix met premier Kok minder een 'team' dan zij deed met Lubbers. De 'calvinistische polderachtergrond' van Kok zou een iets zakelijker en afstandelijker relatie in de hand werken. De koningin zou ook minder vat hebben op een aantal ministers en staatssecretarissen uit het 'paarse' kabinet die van buiten het Haagse circuit komen. Deze bewindslieden keren wel eens van het paleis op hun ministerie terug met de verzuchting dat “de majesteit weer eindeloos dingetjes en vraagjes had”. Het zijn uitspraken uit de Haagse wandelgangen, waarvan de waarde moeilijk te bepalen is.