Kordes: verkoop joodse sieraden was ongepast

DEN HAAG, 29 JAN. De onderhandse verkoop van oorspronkelijk joodse kleinoden aan medewerkers van het ministerie van Financiën in 1968 was “ongepast”. De veiling was echter wel rechtmatig, waardoor een poging om de goederen terug te eisen juridisch kansloos is.

Dit schrijft de commissie-Kordes in een rapport dat vanmorgen is overhandigd aan minister Zalm (Financiën). Het terugvragen van de goederen die ooit hebben toebehoord aan in de Tweede Wereldoorlog vervolgde en vermoorde joden raadt de commissie af. “Een dergelijke actie zou het leed van de getroffenen nog eens accentueren en veel emoties opwekken”, lichtte voorzitter F. Kordes vanmorgen toe.

Kordes beveelt aan om in plaats daarvan te komen “tot een erkenning door de Nederlandse natie van het joodse leed aangedaan tijdens en na de oorlog”, maar geeft niet aan op welke wijze dat zou moeten gebeuren. “De onderhandse verkoop is niet het belangrijkste, maar het feit dat het Nederlandse volk voldoende doordrongen raakt van dit leed”, aldus Kordes. Minister Zalm, die de conclusies van de commissie onderschrijft, schreef vanmorgen in een brief aan de Tweede Kamer deze aanbeveling in het kabinet te zullen bespreken.

Eind vorig jaar ontstond grote commotie, toen een deel van het archief van de Duitse 'roofbank' Lippmann-Rosenthal (Liro) op een zolder in Amsterdam opdook. Uit dat archief bleek ook de onderhandse verkoop bij het Agentschap van het ministerie van Financiën, dat het beheer voerde over het Waarborgfonds, een financieel compensatiefonds voor joden. F. Kordes, oud-voorzitter van de Rekenkamer, werd gevraagd onderzoek te doen naar de verkoop en het archief. Het onderzoek naar het Liro-archief is nog aan de gang.

Het Agentschap verkocht eind oktober 1968 ongeveer tweehonderd kleine artikelen aan de helft van de tachtig medewerkers voor een bedrag van ongeveer 1.800 gulden. Dat was de waarde waarop de goederen in 1958 waren getaxeerd, 1.582 gulden, plus een bedrag voor wat kantoormeubilair. Wie uiteindelijk toestemming heeft gegeven voor de verkoop kan de commissie “niet met zekerheid” zeggen. “We weten niet of de Agent indertijd het sein op groen heeft gezet”, zei Kordes.

Voor de verkoop waren “rechtsgronden aanwezig”, omdat het Waarborgfonds in november 1957 eigenaar was geworden van de spullen. De veiling was desondanks ongepast, omdat er sprake was van bevoordeling van de medewerkers. De prijzen waren laag en bij meer gegadigden werd geloot. “Vooral die loting maakte het geheel ongepast”, meent Kordes.

In de ogen van de commissie had het Agentschap contact moeten zoeken met de stichting Joods maatschappelijk Werk (JMW), die in 1959 al bij Koninklijk Besluit was aangewezen als rechthebbende voor joodse eigendommen waarvan geen eigenaar bekend was. Kordes verwijt het Agentschap ongevoeligheid voor het lot van de joden en vindt dat “in plaats van een strikt zakelijke een meer menselijke benadering op zijn plaats was geweest”.