Jospin, de slavernij en Dreyfus

De Franse premier Lionel Jospin heeft onlangs grote opschudding veroorzaakt in de Franse Tweede Kamer. Tijdens zijn toespraak in de Assemblée nationale barstten de leden van de oppositiepartijen in woede uit. Sommigen riepen 'schande' en 'aftreden', anderen maakten dreigende gebaren in de richting van de eerste minister. Enkele députés dreigden zelfs slaags te raken, maar zover kwam het niet, want de boze oppositieleden verlieten schuimbekkend en rood aangelopen de zaal.

Wat had de linkse premier dan wel gezegd, dat er zoveel opschudding ontstond? Had hij de rechtse president Chirac beschuldigd van seksuele intimidatie of zijn rechtse voorganger, Juppé, van financiële manipulatie? Neen, over zulke zaken ging het niet. Jospin had het gehad over twee herdenkingen: die van de afschaffing van de slavernij in de Franse koloniën in 1848 en van de Dreyfus-affaire van 1898. De buitenlander, en zeker de Nederlander, kijkt hier wel even van op. Kan men zich voorstellen dat bij ons de oppositiepartijen scheldend en tierend de Kamer uitlopen als de minister-president spreekt over gebeurtenissen van honderd en honderdvijftig jaar geleden? Kan men zich voorstellen dat er überhaupt ministers en Kamerleden zijn, die weten wat er honderd of honderdvijftig jaar geleden is gebeurd?

Niet minder verrassend is de fixatie op de tegenstelling links-rechts, die uit Jospins woorden bleek. Hij zei namelijk dat vaststond dat links vóór de afschaffing van de slavernij was, maar dat men hetzelfde niet van rechts kon zeggen, en dat men wist dat links vóór Dreyfus was en rechts tegen. Het ging dus om het historisch gelijk van links. Nu komt het historisch gelijk van links of rechts ook bij ons wel eens aan de orde, maar dan gaat het toch meestal om een recenter verleden. In ieder geval kan men zich moeilijk voorstellen dat Bolkestein woedend de zaal zou uitlopen als Kok zou zeggen dat vaststaat dat links vóór de afschaffing van het cultuurstelsel was en rechts tegen, ook al zou dat verder van de waarheid zijn dan wat Jospin naar voren bracht. Erg kwetsend was het dus niet, wat Jospin zei, maar dat betekent nog niet dat hij gelijk had. Om te beginnen maakte hij natuurlijk een belachelijke blunder, toen hij Gambetta tot de linkse voorvechters van Dreyfus rekende. De Dreyfus-affaire brak immers uit in 1898 en toen was Gambetta allang dood. Hij overleed namelijk op de oudejaarsavond van het jaar 1882 aan de gevolgen van een schotwond, waarschijnlijk overigens als gevolg van eigen onhandigheid. Even opmerkelijk als zijn dood was zijn begrafenis: zijn hart ging naar het Panthéon, zijn hersens naar een laboratorium, zijn rechteroog naar een museum en de rest werd begraven in Nice. Gambetta was er dus niet bij, in 1898, maar het is duidelijk dat Jospin zich eenvoudig versprak en niet Gambetta maar Clemenceau bedoelde, in wiens krant L'Aurore Zola's open brief J'Accuse verscheen.

Interessanter is de vraag of deze twee kwesties, de afschaffing van de slavernij en de affaire-Dreyfus, inderdaad zo simpel onder de noemer links is goed tegen rechts is fout kunnen worden gebracht. Bij de abolitie ligt het in ieder geval wat gecompliceerder. De slavernij is in de Franse koloniën namelijk twee keer afgeschaft. De eerste keer gebeurde dit tijdens de Franse revolutie, maar onder Napoleon werd de slavernij weer ingevoerd. Pas met de Februari-revolutie van 1848 werd zij opnieuw afgeschaft, en nu voorgoed. Over de vraag of Napoleon links of rechts was, valt te twisten, maar het is normaal om deze beide revoluties, die van 1789 en van 1848, als linkse overwinningen op reactionaire c.q. conservatieve, kortom rechtse, regimes te zien. Dat wil overigens niet zeggen dat er geen rechtse auteurs waren die tegen de slavernij opponeerden en evenmin dat alle linkse politici tegen waren. Meer dan een politieke kwestie was het in Frankrijk een kwestie van godsdienst en waren vooral de protestanten tegen de slavernij. Jospin kan zich in dit verband dan ook beter op zijn protestantse dan op zijn linkse achtergrond beroepen.

Met de Dreyfus-affaire ligt het simpeler. Natuurlijk is het waar dat de eerste en belangrijkste verdedigers van de ten onrechte veroordeelde joodse kapitein Dreyfus zijn broer Mathieu en kolonel Picquart waren en dat die geen van beiden typisch linkse figuren waren (evenmin als Dreyfus zelf). Natuurlijk is het waar dat er ook enkele rechtse dreyfusards waren en dat de uiterst linkse, revolutionaire socialist Jules Guesde de hele zaak als een intern probleem van de bourgeoisie zag. Ook is het zo dat er naast het rechtse - en katholieke - antisemitisme dat in de Dreyfus-tijd zo sterk naar voren kwam, ook een links en socialistisch antisemitisme heeft bestaan. En ten slotte is het zo dat veel linkse dreyfusards bitter teleurgesteld waren in de linkse regeringen die na de Dreyfus-affaire aan de macht kwamen. Dit alles neemt echter niet weg dat, vanaf het moment dat Zola de zaak met zijn open brief in het centrum van het publieke debat bracht, de kwestie-Dreyfus uitgroeide tot een ideologische tegenstelling, een tegenstelling tussen twee visies op Frankrijk. Aan de ene kant stond de partij van de Franse revolutie en de mensenrechten en aan de andere die van de eer van leger en natie. Het is even normaal als gebruikelijk de eerste groepering links en de tweede rechts te noemen.

Het probleem is dus niet dat Jospin de geschiedenis vervalste, hoogstens dat hij er wat selectief mee omging, want links is historisch gezien ook verantwoordelijk voor de Terreur ('La Révolution est un bloc'), de koloniale expansie (Gambetta!), het communisme en nog een paar dingen. Het kernprobleem zit hem echter in iets anders, namelijk in het feit dat de begrippen links en rechts sinds hun ontstaan tijdens de Franse revolutie zo vaak van inhoud zijn veranderd. Het begrippenpaar ontstond, om precies te zijn, op 11 september 1789, toen de voorstanders van een sterke koningsmacht rechts en die van een beslissende macht van het parlement links van de voorzitter plaatsnamen. In de loop der jaren kregen de begrippen echter een andere inhoud en ging het niet meer om de macht van de vorst, maar om andere kwesties als republiek of monarchie, beperkt of algemeen kiesrecht, kerk en staat et cetera. Steeds echter werden de posities die men ten aanzien van zulke kwesties innam, gedefinieerd in termen van links of rechts.

Dit alles is al verwarrend genoeg. Wat het nog gecompliceerder maakt, is dat de partijen ten opzichte van bepaalde waarden en idealen soms van positie wisselden. Zo was in de Dreyfus-tijd rechts de pleitbezorger van het leger en keerde links zich daartegen. Maar zo was het niet altijd geweest. Aanvankelijk waren de natie, het vaderland en het leger idolen en idealen van links geweest. Pas in de jaren 1880 waren die posities gaan verschuiven, in de richting die in de Dreyfus-affaire zo duidelijk aan het licht zou komen.

Het resultaat van dit alles is dat het huidige links even weinig te maken heeft met het links van 1848 of 1898 als het huidige rechts met het rechts van honderd of honderdvijftig jaar geleden. De 'rechtse' parlementariërs van de UDF en de RPR hadden dus rustig in hun bankjes kunnen blijven zitten. Zij hoefden zich door Jospin niet aangesproken te voelen.