De Hoofdstad en Haar paleis

Dit is een onderwerp dat zich beweegt tussen fabel en legende: de verhouding tussen de Oranjes en de hoofdstad. Soms is het tijd de fabels tot waarheid te verheffen. Dan is Amsterdam het republikeinse bolwerk waar de burgerij de baas was en de vorst op z'n hoogst als gast werd geduld. En dan weer, als de tijden ertoe strekken en de vorst werkelijk de steun van het volk nodig heeft, gaat hij naar de legendarische Jordaan om door de echte Amsterdammers te worden omstuwd. De geschiedenis is rijk aan opmerkelijke gebeurtenissen. Eerst een paar grepen uit het recente verleden.

Bijna dertig jaar geleden was het de hele zomer rumoerig in de stad, net als in de rest van de westelijke wereld. De jongeren wilden niet meer doen wat de ouderen zeiden. Hier werd de Republiek Amsterdam uitgeroepen en later nog de Oranje Vrijstaat van de Kabouters. Het toeval wilde dat omstreeks dezelfde tijd de kroonprinses de man van haar leven had ontmoet. Dat had niets met de toestand in de hoofdstad te maken. Tegen het advies van burgemeester Van Hall werd het huwelijk tussen de kroonprinses en de heer Von Amsberg in Amsterdam voltrokken. Ook Van Hall maakte zich tot tolk van de legende: 'lastige stad'. Het was dus in een tijd dat het overal 'lastig' was. Toen maakten andere troebelen, die niets met de vraag Oranje of de Republiek Amsterdam te maken hadden, nog in hetzelfde jaar op termijn een einde aan zijn burgemeesterschap.

We zijn achttien jaar verder, 1980, de inhuldiging. 'Geen woning, geen kroning', de binnenstad verandert in een heksenketel. Door toedoen van wie? De 'rasechte Amsterdammers'? De stad is niet lastig; de stad is de kluts kwijt. Niemand heeft nauwkeurig geteld hoeveel Nijmegenaren en Tilburgers zich onder de stoottroepen van de krakers bevonden, maar er zijn schattingen: veel. Overtuigde republikeinen? Al vlug laten ze op het gebied van de staatsvorm niets meer van zich horen.

Veel langer geleden: 1650. Stadhouder Willem II ergert zich aan de zelfbewuste regenten die de wereldstad regeren. Ze zullen hun plaats moeten kennen. Een legertje wordt uitgerust om de weerspannigen tot de orde te roepen, maar raakt 's nachts tussen Abcoude en Ouderkerk aan de Amstel de weg kwijt. Intussen heeft burgemeester Cornelis Bicker de poorten laten sluiten. Het volk van Amsterdam is gereed voor de strijd, maar zover komt het dus niet met het verdwaalde leger van Oranje. Verstandig als de regenten zijn, buiten ze deze inleiding tot de overwinning niet uit, maar sturen een vredesdelegatie naar de opperbevelhebber, graaf Willem van Nassau. Er wordt een compromis gesloten. De Amsterdamse onderhandelaars raden de graaf aan nog niet naar de stad te komen want die is “vol van allerlei landaart en vreemd soort van luiden die lichtelijk iets ondernemen zouden dat zijne doorluchtigheid schadelijk en niet aangenaam zou zijn”. De graaf vat dit op als een goede raad. Daarna wordt burgemeester Bicker vervangen.

Eeuwen gaan voorbij. Nederland wordt geraakt door de Franse Revolutie, de Bataafse Republiek wordt uitgeroepen. Dan breekt de Franse tijd aan: Napoleon benoemt zijn broer Lodewijk tot koning van Holland. Het stadhuis van Amsterdam wordt paleis. Na de vergissing van de Bataafse Republiek en de bange Franse tijd, komt weer een Oranje naar de stad, en voor het eerst in de geschiedenis als koning: Willem I. In het legendarische republikeinse bolwerk nemen de ovaties en het gehos geen einde. Maar wat zal er met het stadhuis/paleis gebeuren? Men laat het in het midden in de hoop dat er weer een compromis zal opdagen. Dit gebeurt: Amsterdam wordt officieel de hoofdstad, het paleis blijft paleis. Voor grote gebeurtenissen komen de Oranjes meestal naar Amsterdam.

De tijden veranderen maar de continuïteit is hardnekkig. Soms lijkt de stad vol lastige mensen te zijn, die geen boodschap hebben aan de Oranjes; dan weer is men hier zo mak als een lammetje. Wie zijn hier de baas: de republikeinen of de lastige lammetjes?

In welke tijd leven we nu? De echelons der gevaarlijke lastpakken zijn door de jaren vreedzaam gedecimeerd en voor de rest hebben we artikel 140. Iedere ochtend omstreeks een uur of acht kom ik langs de voorkant van het paleis. Het is nog donker. Op de hoogste verdieping is het raam verlicht van iemand die van sansevieria's houdt. Vaak ligt in een van de acht portieken onder een vuilwitte deken nog een zwerver te snurken; soms zijn het er twee of drie. Tegen het einde van de middag loop ik er weer langs. Dan is een groot deel van de stoep in beslag genomen door de sociëteit der vrije drinkers die een half uur geleden met de tuinslang van Albert Heijn achter het paleis is weggespoten. Op de nieuwe steentjes staan een stuk of twintig taxi's olie lekkend te wachten op een vrachtje. Paleisachtig is het niet; republikeins of monarchistisch evenmin. Het is slordig maar wel vreedzaam.

Over een paar dagen wordt de koningin zestig. Ze wil haar verjaardag vieren in haar Amsterdamse paleis, met enige internationale luister, maar niet voor 'het volk' want daarvoor hebben we 30 april. Geen aubades. Een goed idee. Want om te beginnen: aubades en zulk soort evenementen zijn er al genoeg op de Dam. De omwonenden en omwerkenden worden er gek van. En dan: het staatshoofd moet haar gasten ontvangen in de hoofdstad, want daar is de hoofdstad voor, onder andere. En waar anders dan in het paleis? En ten slotte: iedereen heeft er recht op iedere verjaardag naar goeddunken te vieren. Koninginnedag is iets anders dan een verjaardag.

Je kunt wel wat gaan zeuren over verkeersomleidingen en opstoppingen, maar die zijn er in deze buurt altijd. Een van de mooiste gebouwen van Europa wordt weer eens schoongemaakt en gebruikt waarvoor we het een jaar of 185 geleden nu eenmaal hebben bestemd. Niets te klagen. De mooiste verhouding tussen de Oranjes en Amsterdam is die van het beproefde, nooit uitgesproken compromis, tussen fabel en legende.