Clinton moet zeggen wat hij met een aanval op Irak wil bereiken

Lang waren Irak en Saddam Hussein marginale kwesties voor het Witte Huis. Te lang, meent Jim Hoagland. Want nu moet Clinton zijn dreigementen dat militair zal worden opgetreden tegen Irak, waarmaken op het meest omstreden moment van zijn presidentschap.

Het Witte Huis heeft een kanonnade van dreigementen afgevuurd dat het halverwege februari militair zal optreden tegen Irak. Zo hoopt het Saddam Hussein te dwingen toe te geven en ongehinderde VN-inspecties toe te laten. Maar de Iraakse dictator gaat ervan uit dat nieuwe Amerikaanse bombardementen zijn positie in eigen land en daarbuiten zullen versterken. Hij zal nu niet inbinden.

De regering moet bereid zijn om de dreigementen die ze uit in perscommuniqués en tijdens ontmoetingen met vooraanstaande Congresleden ook uit te voeren. Maar bombarderen is niet genoeg. Clinton moet eindelijk eens een politieke strategie jegens Irak aan zijn militaire aanvallen verbinden, wil hij Saddams strategie, die erop gericht is de macht van de Verenigde Staten tegen hen te gebruiken, ontkrachten.

Clinton heeft zichzelf in een weinig benijdenswaardige positie gemanoeuvreerd ten aanzien van Irak en het buitenlands beleid in het algemeen: hij heeft Irak en de behoefte aan een door Washington gesteunde internationale politieke oppositie tegen Saddam steeds als marginale kwesties behandeld, en zich vijf jaar lang weerhouden van militair ingrijpen op enige schaal tegen het Iraakse regime, ook toen zulk ingrijpen gerechtvaardigd en nodig was. Nu laat Clinton zichzelf geen andere keus dan een strafexpeditie tegen Irak op het meest omstreden moment van zijn presidentschap.

Door al dat afwachten en om de hete brij heen draaien moet Clinton nu toeslaan vanuit een zwakke stelling in plaats van de sterke positie die hij nog maar enkele maanden geleden had.

Dit is meer dan de ironie van de geschiedenis of een verkeerd gekozen ogenblik. Het is een gevolg van een handelwijze waaruit telkens weer is gebleken dat de president en zijn meeste adviseurs Irak niet belangrijk achtten voor de Amerikaanse strategie of Clintons politieke nalatenschap. Het zal hun nog moeilijk vallen uit te leggen waarom ze Irak nu ineens wél belangrijk vinden.

Clinton stelt zich hiermee bloot aan verwijten dat hij de aandacht van zijn land en de wereld probeert af te leiden van zijn seksschandaal door een onnodige oorlog te beginnen. Dat verwijt is aantoonbaar onterecht, maar zal het de Verenigde Staten moeilijker maken onverdeelde nationale en internationale steun te verkrijgen voor een op termijn effectieve bombardementscampagne tegen Irak.

Saddam meent kennelijk dat zo'n campagne definitief de coalitie zal splijten die hem in 1991 verslagen heeft, en de Fransen, Russen en sommige van Amerika's Arabische bondgenoten bijeen zal drijven tegen Washingtons voornemens en militaire aanwezigheid in het gehele Midden-Oosten.

De Iraakse leider zal dan feitelijk verlost zijn van serieuze VN-inspecties naar massa-vernietigingswapens en de fabrieken daarvan die na de luchtaanvallen nog bestaan. En in de verhitte sfeer die ontstaat door militaire aanvallen die niet tot de val van Saddam leiden, zal het de VS waarschijnlijk niet lukken een verdeelde Veiligheidsraad achter strengere economische sancties tegen Irak te krijgen.

Saddams taxatie van het voordeel dat er te halen valt uit het leed dat de Iraakse bevolking wordt aangedaan door Amerikaanse bommen en uit een Iraakse bede om hulp aan het geweten van de wereld, begint eindelijk tot Clintons medewerkers door te dringen. Maar deze gevaren te onderkennen is nog iets heel anders dan ze tegen te gaan.

In Amerika maken de strategen plannen voor een serie korte bombardementen die tot doel hebben de belangrijkste fabrieken en opslagplaatsen van chemische en biologische wapens te vernietigen. Ook zullen de Amerikaanse aanvallen zich concentreren op de speciale eenheden van de Republikeinse Garde die deze wapens beschermen en verbergen en die de kern van Saddams persoonlijke veiligheidsstelsel vormen.

Maar de Irakezen zijn de afgelopen zomer begonnen de VN-inspecteurs in hun werk te hinderen en hebben maanden de tijd gehad om de gemakkelijk te verbergen biologische en chemische wapens over het land te verspreiden. Het ziet er niet naar uit dat de bombardementen zullen afrekenen met Saddam of met alle 'ongedierte in de kelder' dat hij her en der verstopt heeft.

Intussen werkt Saddam ook aan de consolidatie van zijn politieke positie in de Noord-Irakese zone die Clinton in september 1996 de facto aan het gezag van Bagdad heeft afgestaan. Rafii Daham al-Takriti, het hoofd van de Irakese geheime politie, is op 19 januari naar Noord-Irak gereisd om de twee belangrijke Koerdische groeperingen te bezoeken die vroeger met de VS samenwerkten om Saddam te wippen. De Koerdische leiders hebben toegezegd binnenkort in Bagdad met Saddam te komen praten om hun geschillen uit de wereld te helpen en in verzet te gaan tegen Amerikaanse complotten om hem omver te werpen.

Clinton heeft verzuimd Irak hoog op zijn prioriteitenlijst te zetten, en dat heeft veel potentiële en concrete vijanden van Saddam tot de overtuiging gebracht dat Washington niet serieus van plan was hen te helpen zich van hem te ontdoen. Een nieuwe ronde van militaire aanvallen die Irak schaden maar Saddam niet, zal hen in die overtuiging sterken.

De president zal - voor zichzelf, voor zijn land en voor de wereld - duidelijk moeten maken welke politieke veranderingen in Irak hij met de nieuwe aanvallen denkt te bereiken. Alleen dan zal hij de pogingen van Saddam en anderen om hernieuwd militair optreden tegen Irak af te schilderen als politiek gemotiveerd, zinloos geweld, kunnen verijdelen.