Blijvers & vertrekkers

MINISTER SORGDRAGER (Justitie) kan blijven zitten, burgemeester Ouwerkerk van Groningen stapt op. Dat is het voorlopige politiek-personele resultaat van wat een maand geleden in de Groningse Oosterparkwijk begon met een uit de hand gelopen rel. Zestig opgeschoten jongeren die, wat nu al wordt genoemd, een crisis in de rechtsstaat blootleggen; wie had dat ooit kunnen denken? Het lijkt inderdaad bizar, maar toch zijn het meestal de incidenten die structurele onevenwichtigheden aan de orde stellen.

Zowel in de Tweede Kamer in Den Haag als in de gemeenteraad van Groningen ging het gisteren om de politieke verantwoordelijkheid voor wat de afgelopen weken is voorgevallen. Dat beide debatten een verschillende uitkomst kenden is verklaarbaar.

In Den Haag kon Sorgdrager aan het eind van de dag concluderen dat zij op brede politieke steun mag rekenen in haar aanpak van het conflict met de procureurs-generaal. Van belang is dat zij niet alleen de coalitiefracties aan haar zijde vond, maar ook een belangrijk deel van de oppositie. Opmerkelijk was in dit verband de opstelling van het CDA. Vorige week nog was het voor deze partij glashelder dat minister Sorgdrager alle blaam trof. De minister diende dan ook te vertrekken, oordeelde het Tweede-Kamerlid Koekkoek. Van deze rabiate toon was gisteren in het debat weinig meer over en gelukkig maar. Als het gaat om de vraag over het politieke primaat - en dat was toch de kern van het conflict tussen minister Sorgdrager en de procureurs-generaal - kan de volksvertegenwoordiging niet eensgezind genoeg zijn.

De Tweede Kamer heeft het voor een heldere vertrouwensrelatie noodzakelijke signaal afgegeven dat de handelwijze van de 'bijzondere' ambtenaren van het openbaar ministerie niet door de beugel kon. Dat betreft zowel de dubbele rol die procureur-generaal Steenhuis in Groningen heeft gespeeld bij het verlenen van een onderzoeksopdracht, als de afwikkeling van dit arbeidsrechtelijke geschil vorige week op het ministerie van Justitie.

IETS ANDERS IS of deze unanimiteit ook kan worden uitgelegd als een versterking van de positie van Sorgdrager. Aan het slot van het debat stelde de minister manmoedig dat zij er alle vertrouwen in heeft in staat te zijn de reorganisatie van het openbaar ministerie te begeleiden. Vandaar haar besluit om aan te blijven als minister. Of die onderliggende reden ook zo door een meerderheid van de Tweede Kamer wordt onderschreven, is de vraag. De conclusie moet toch zijn dat Sorgdrager er in de vier jaar van haar ministerschap niet in is geslaagd het departement van Justitie en de aanverwante diensten ook maar enigszins op orde te brengen.

De problemen op het terrein van justitie waren vier jaar geleden dankzij de IRT-affaire volledig bekend. Met andere woorden: de crisisverschijnselen hadden zich al aangediend. Wat dit betreft valt ook de onderhandelaars bij de kabinetsformatie van 1994 wel het een en ander aan te rekenen. Zij hebben de ernst van de zaak onvoldoende onderkend. In de afgelopen vier jaar zijn de verhoudingen alleen maar verder verziekt. Een minister moet het gezag hebben om maatregelen door te voeren. Het is duidelijk dat minister Sorgdrager dit gezag allang niet meer heeft.

Hoewel het gisteren in de Kamer niet hardop mocht worden gezegd, heeft de lankmoedigheid van de volksvertegenwoordiging alles te maken met de realiteit dat het kabinet nog maar enkele maanden te gaan heeft. Sorgdragers resterende maanden op Justitie zijn niet meer dan een noodverband. De echte gezondmaking zal moeten komen van een nieuwe minister van Justitie met een aanverwant pakket maatregelen. Het is daarom te hopen dat de direct betrokkenen bij de kabinetsformatie hiervan dit keer wel de urgentie in zien.

EN ZO IS de politieke schade dus beperkt gebleven tot burgemeester Ouwerkerk van Groningen. Benoemd door de Kroon, maar democraat genoeg om zijn functioneren direct afhankelijk te maken van het aanwezige vertrouwen in de gemeenteraad. Ouwerkerk wilde niet door met alleen de steun van de collegepartijen. Hij eiste meer. De VVD-fractie in de raad is niet voor die druk gezwicht. Zij stelde de burgemeester direct verantwoordelijk voor de fouten die er in de Oosterparkwijk zijn gemaakt, maar sprak hem tevens aan op het disfunctioneren van de driehoek korpsbeheerder, korpschef en officier van justitie. Volgens Ouwerkerk zelf was er slechts sprake geweest van een 'foutje' en viel hem dus niet zo veel te verwijten. Een betere illustratie van zijn onvermogen had de burgemeester niet kunnen geven.