Kerncompetenties zijn vaardigheden

Hoe langer deze column over de kenniseconomie loopt, hoe meer ik de noodzaak voel een aantal elementaire begrippen, zoals kennis en alles wat daarmee samenhangt, preciezer te omschrijven. Ik doe dat met de nodige schroom, aangezien in de loop der eeuwen ontelbare geleerden zich hierover hebben gebogen - een literatuur die ik maar zeer ten dele overzie (maar daar ontkom je niet aan in deze informatiemaatschappij).

Bovendien lopen ook in de actuele literatuur de benaderingen op dit punt behoorlijk uiteen. Maar het gemak waarmee begrippen als kennis, informatie, competenties in het normale spraakgebruik gehanteerd worden, heeft niet zelden negatieve gevolgen voor wat onder kennismanagement begrepen wordt. Ik waag het dus maar...

Zoals hopelijk uit bijgaande figuur duidelijk wordt, zijn er twee belangrijke bronnen van kennis: geschreven bronnen (de 'expliciete' lijn vanaf linksonder) en ervaringen (de 'impliciete' lijn vanaf rechtsboven). In het midden bevinden zich de bestaande interpretatiekaders die de toevoer van externe gegevens en gebeurtenissen meteen kleuren en gewicht geven, waardoor ze vormen van 'informatie' en 'ervaring' worden. “Kennis is datgene dat mensen in staat stelt om betekenis toe te kennen aan gegevens en zodoende informatie te genereren”, zeggen Rob van der Spek en André Spijkervet in een nuttig boekje over Kennismanagement (1996, Kenniscentrum CIBIT Utrecht). Mij lijkt het goed de ervaringslijn bij die 'gegevens' explicieter te benoemen.

Inderdaad: zonder kennis van de economie worden beursberichten geen informatie, zonder kennis van onze omgeving worden gebeurtenissen geen ervaring. In De levende onderneming geeft Arie de Geus het voorbeeld van een hoofdman van een pas ontdekte primitieve Maleisische stam die voor het eerst in Singapore kwam. Achteraf was hem vooral bijgebleven dat hij iemand gezien had die meer bananen droeg dan hij ooit voor mogelijk had gehouden. Alle andere zaken waren zo vreemd voor hem, dat hij ze nauwelijks 'gezien' bleek te hebben. Vandaar dat ik kennis definieer als het geheel van relatief stabiele interpretatiekaders waarmee we onze omgeving begrijpen.

De Leidse hoogleraar Kessels en zijn Eindhovense collega Weggeman benadrukken terecht dat kennis van buitenaf pas kennis wordt als ze individueel wordt toegeëigend. In zijn boek Kennismanagement (Scriptum, 1997) gaat Weggeman daarom zo ver dergelijke expliciete kennis onder de algemene categorie 'informatie' onder te brengen. Dergelijke door anderen ontwikkelde hoogwaardige expliciete kennis (slimme theorieën, complexe technologieën) is evenwel een steeds belangrijkere kennisbron die het in principe mogelijk maakt grote sprongen in onze kennisontwikkeling te maken. Zonder ons dergelijke kennis eigen te maken, zouden we op een relatief laagwaardig niveau van 'informatieverwerking' blijven steken. Het zonet genoemde onderscheid tussen informatie en kennis van Van der Spek en Spijkervet lijkt me daarom aantrekkelijker.

Ook bij de impliciete lijn komen de interpretatiekaders van buitenaf. Goede voorbeelden en ervaren leermeesters kunnen daarbij een belangrijke rol spelen. Maar het leerproces verloopt anders: vaardigheden leren we door ze honderden keren te verrichten, en steeds beter. Een van de grote problemen van onze expliciete cultuur (de 'informatiemaatschappij') is dat we soms onderschatten in welke mate kennisontwikkeling steunt op dergelijke, moeilijk aan te leren vaardigheden. (Als we dat bij anderen menen te herkennen noemen we dat beunen.) Management heeft bijvoorbeeld zeker te maken met theorie, maar veel meer nog met vaardigheden, ervaring en op den duur - als het goed is - wijsheid die in niet geringe mate impliciet is. Complexe vaardigheden zijn dan ook niet eenvoudig aan te leren. Dat gaat met vallen en opstaan, observeren, proberen te imiteren, gissen en missen.

Dit alles heeft belangrijke consequenties die veelal over het hoofd gezien worden in de meer simpele benaderingen van kennismanagement. De eerste is dat het bij het ontwikkelen van zogenaamde kerncompetenties van ondernemingen meestal gaat om de combinatie van complexe theorieën en technologieën met complexe vaardigheden. Dat maakt ze - gelukkig - erg moeilijk om te kopiëren, in tegenstelling tot wat daarover in snelle boekjes over 'hyperconcurrentie' te lezen valt. Het betekent ook dat ze lastig zelf te ontwikkelen en te onderhouden zijn en dus langdurige collectieve inspanningen vereisen. Collectieve kennis- en competentieontwikkeling is daarom steeds meer de grote uitdaging. Deze vereist een andere visie op kennismanagement dan het beheren van een soort kennisvat, waar men naar believen kennis in en uit laat stromen. Zelfs Hamel en Prahalad die met hun inspirerende boek De strijd om de toekomst (Scriptum, 1994) aan het begrip kerncompetenties een brede verspreiding gaven, wekken te veel een dergelijke suggestie.

Een heel andere consequentie uit dit verhaal is dat alle kennisontwikkeling sterk cultureel gekleurd is. Bij onze 'relatief stabiele interpretatiekaders' ontkomen we nauwelijks aan de normen en waarden die ons van jongs af aan zijn bijgebracht. Ook binnen organisaties zijn er dominante 'mentale modellen' die de kennisontwikkeling mee richting geven. Dat kan positief zijn (zie de literatuur over 'visionaire' ondernemingen), maar ook behoorlijk negatief ('groupthink', conservatisme). Het geeft wel aan dat ondernemingen in de kenniseconomie er steeds minder aan ontkomen iets te doen met die mentale modellen - en al helemaal als ze internationaliseren.