Fusie stroomsector mogelijk vertraagd

ROTTERDAM, 28 JAN. De aandeelhouders van de vier productiebedrijven voor elektriciteit maken een pas op de plaats in de besluitvorming over de beoogde fusie tot één landelijk Grootschalig Productiebedrijf (GPB). Ze willen de behandeling in de Tweede Kamer van de nieuwe Elektriciteitswet op 17 februari afwachten. Onzeker is of door deze vertraging de beoogde fusiedatum van 1 april aanstaande nog kan worden gehaald.

Het gaat om de distributiebedrijven voor energie Edon en Nuon in Noord- en Oost-Nederland, Pnem/Mega (Brabant en Limburg) en Deltan (Zeeland). Minister Wijers stuurde op 22 januari een brief aan de aandeelhouders waarin hij schreef: “Mij bereiken berichten dat het overleg over en de besluitvorming met betrekking tot het GPB in oprichting door de aandeelhouders zou zijn stopgezet.” De minister toont zich daarover “zeer verrast” omdat over de fusie op 20 december 1997 in Zeist een principebesluit was genomen, na lange onderhandelingen tussen de aandeelhouders.

Directeur dr. R. van 't Hullenaar van EnergieNed, de koepelorganisatie van distributiebedrijven, zegt dat de voorbereiding van de fusie en de vorming van GPB niet wordt stopgezet maar wel vertraging kan oplopen. Minister Wijers heeft vandaag een brief aan de Tweede Kamer gestuurd, met een nadere wijziging van zijn wetsvoorstel voor de Elektriciteitswet die de distributiebedrijven iets tegemoetkomt. De distributiebedrijven willen nu tijd om precies uit te zoeken wat de nieuwe wet voor hun positie gaat betekenen. De bezwaren spitsen zich nog steeds toe op de voorschriften voor afsplitsing van het netwerkbeheer in aparte ondernemingen en belemmeringen bij de import van elektriciteit. Aparte netwerkbedrijven zullen bijvoorbeeld vallen onder de Europese richtlijn voor aanbesteding van werk voor de aanleg van infrastructuur. Directievoorzitter Wiechers van Pnem/Mega: “Wij staan achter het principe-akkoord van 20 december, maar in november heb ik Wijers al duidelijk gemaakt dat we een koers hadden uitgezet op grond van een bepaalde verwachting van onze positie in de markt. Als die positie belangrijk verandert door de wetgeving moeten we het akkoord heroverwegen”. Directievoorzitter Swelheim van Nuon zei dat het akkoord van december niet meer is dan een intentieverklaring.