Dirigenten in de toren

Ruim tachtig jaar geleden landde een militaire Farman-tweedekker op een stuk grasland waar later Schiphol-Oost zou verrijzen. Het begeleiden van de landing vanaf de grond gebeurde toen nog door uitbundig zwaaiend grondpersoneel en met lichtsignalen. Landen met slecht zicht was hachelijk, zoniet onmogelijk. De uitvinding van de radar, door de Britten voor het eerst praktisch gebruikt tijdens de Tweede Wereldoorlog, veranderde dat allemaal. Met radar kunnen vanuit de verkeerstoren op Schiphol de vliegbewegingen nauwgezet worden gevolgd.

Naarmate de gebouwen op Schiphol hoger werden, steeg de noodzaak de verkeerstoren aan te passen. Op de foto uit 1970 staat de oude verkeerstoren van Schiphol-Centrum afgebeeld met uitzicht over de toenmalige B-pier. Deze toren, in geval van nood nog bruikbaar, is vijftig meter hoog, tweemaal zo hoog als zijn voorganger op Schiphol-Oost.

De huidige 360.000 starts en landingen op Schiphol worden sinds 1991 begeleid vanuit een 101 meter hoge toren. Vliegtuigen die landen of opstijgen van Schiphol moeten een tevoren vastgesteld traject volgen, vooral met het oog op geluidsoverlast. De verkeersleiders houden niet alleen de vliegtuigen op de grond en in de lucht in de gaten. Ze dirigeren ook de auto's op platform en landingsbanen vanuit de toren.