Celloconcert luidt verjaardag in van koningin Beatrix

AMSTERDAM, 28 JAN. In de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw, gevuld met tweeduizend genodigden die het Wilhelmus krachtig en tekstvast wisten te zingen, begon koningin Beatrix gisteravond de festiviteiten rond haar zestigste verjaardag. Op het podium speelde de wereldberoemde Russische cellist Mstislav Rostropovitsj, een persoonlijke vriend van de vorstin, twee celloconcerten.

De vorstin was op het balkon omringd door haar eigen gezin, familieleden en een kabinetsdelegatie onder aanvoering van premier Kok.

Minister van justitie Sorgdrager ontbrak, zij bereidde zich in Den Haag voor op het Kamerdebat van vandaag over het conflict met een deel van het 'officiële Nederland', dat het publiek vormde. Het verjaardagsconcert was ook een vervanging van de traditionele Nieuwjaarsreceptie in het Paleis op de Dam. Het leek ook wel een verplaatste Prinsjesdag, toen Senaatsvoorzitter Korthals Altes na het Wilhelmus met zijn “Leve de koningin” een driewerf 'hoera!' opriep uit de kelen van hoogwaardigheidsbekleders, politici, militairen, leden van de rechterlijke macht, vertegenwoordigers van maatschappelijke en culturele organisaties, instellingen en grote bedrijven.

Populaire 'bekende Nederlanders' ontbraken. Wel aanwezig waren onder anderen Anton Geesink, Harry Mulisch, Wim Duisenberg en kardinaal Simonis. Hoge functionarissen van politie en krijgsmacht waren gekleed in ceremonieel galakostuum. Maar tussen de goudgetreste en wit gehandschoende obers vielen ze niet eens erg op. Eén van de rijk gedecoreerde militairen merkte bij de ingang op: “Ik lijk hier wel de portier.”

Omdat de koningin houdt van romantische muziek speelde Rostropovitsj het Celloconcert van Anton Dvorák, voorafgegaan door het Celloconcert in C van Joseph Haydn. Hoewel Rostropovitsj een grote persoonlijkheid is met zeer uitgesproken muzikale opvattingen, maakte de uitvoering als geheel een wat bleke en karakterloze indruk, vooral doordat Lazarjev de begeleiding door het Radio Filharmonisch Orkest wel heel glad, klein en flets hield.

Rostropowitsj speelde hier vooral fijnzinnig, elegant en veelal pianissimo. Daarbij bloeide in de lange legatolijnen zijn lichte lyrische toon op en via de lage c-snaar klonk af en toe een wat krachtiger expressie. Slechts bij vlagen klonk iets van zijn gebruikelijke speeldrift.

Voor het steviger en zeer slavisch georiënteerde Celloconcert van Dvorák plantte Rostropovitsj de stalen punt onder zijn instrument vast in het podium. Maar ook hier was de sfeer vooral geresigneerd. Terwijl Lazarjev in de niet altijd goed sluitende begeleiding Dvorák nogal eens leek te zien als een tweede Tsjaikovski, ging Rostropovitsj op in zijn vaak zeer subtiele spel, waarbij pianissimo-passages soms vrijwel tot stilstand kwamen.

Vooral uit de verinnerlijkte bewogen toon in het Adagio sprak een geest van milde nostalgische onthechting, waarbij de muziek immaterieel ging zweven als vage echo's van verre weemoed. Soms leek dit Celloconcert zich wel te manifesteren als intieme kamermuziek, vooral wanneer Rostropovitsj zich wendde tot concertmeester Ronald Hoogeveen, die vlak voor het slot nog een zeer zigeunerachtige frase speelde. Na afloop dankte Beatrix tijdens een ontvangst in een van de foyers Rostropovitsj met een omhelzing.