Brakelmans

De ober is zeer zorgzaam. Voorzichtig schuift hij het klassiek ovale dienblaadje voor mij en ordent kopje, koekje, klontje, zakje, lepeltje, kannetje, net zolang tot dit alles een prettig patroontje vormt, draait het kopje ten slotte met het oortje naar rechts en zegt warm: “Zo, en een lekker kopje koffie voor meneer”.

Ik doezel, enigszins bevreesd voor de weer komende reorganisatie. Ineens gaat de deur open en een tweede bezoeker komt binnen. Het is Brakelmans. Ineens weet ik dat hij hier vroeger kwam.

Brakelmans deed het werk tussen de eindofferte van het project en het over de streep trekken van de klant. Tijdens die fase is de suggestie dat de aangeboden kennis ruim voorhanden is van evident belang. Geen bedrijf stuurt in dat stadium iemand die ter zake kundig is, want dan laat je zien waar je kennis ligt - maar ook waar die ophoudt. Brakelmans was om die reden het lieverdje van de vijf directieleden, die ook van niets wisten, maar dat niet zo goed konden verbloemen.

Toen ik Brakelmans meemaakte was zijn hoogtepunt allang voorbij. Die passage was zo beheerst verlopen dat alleen ingewijden het merkten. Een middenkadertragedie gaat meestal langzaam.

Toen het punt bereikt werd waarop de zaak breder groeide dan Brakelmans kennis, was hij zich gaan toeleggen op een voorbeeldig spraakje, een nauw verholen aardappel, tooide hij zich met Rodenstock en Rolex, droeg maatwerk, rookte met een sigarettenpijpje, manicuurde zorgvuldig, betaalde uit eigen zak bij aan een grotere 'auto van de zaak', oefende jovialiteit en wist het waarmerk te verkrijgen dat hij zeer goed kon delegeren, wat inmiddels bittere noodzaak was geworden.

Voor de zaak was hij toen nog goud waard. Een paar zinnen van hem, de act met het pijpje, het achteloze presenteren van dure sigaren, en het wegwuiven van moeilijke vragen met “Heren, zullen we de details maar aan de bollebozen van de research overlaten” deden wonderen.

Brakelmans zag er nu tobberig uit. Hij keek niet op of om en schoof meteen aan de dichtstbijzijnde tafel, legde een pakje Drum voor zich, en tuurde zijwaarts het raam uit. “Braak!”, riep ik zacht, en meteen realiseerde ik me dat hij voor mij altijd U en mijnheer Brakelmans was. Hij keek op, frommelde zijn Drum weg en kwam naar me toe.

“He, hallo zeg eh.., hoe is het met jou”, poogde hij. Zijn vingers waren bruin. Geen pijpje meer? Zijn pak moest nodig eens gestoomd worden. Maar zijn koffertje was goed onderhouden en had nog het cachet van grote orders, gouden pennen en gemanicuurde handtekeningen.

Brakelmans ging moeizaam zitten, hij leek wel zestig maar kon niet veel ouder dan vijfenveertig zijn. “Ik had nog een uurtje over en dacht kom, ik leg even aan. Ik kwam hier wel eens toen ik nog bij de zaak was, dus dat leek me wel leuk.” Terwijl hij sprak, ellebogen op tafel, gespreide handen omhoog, vingertoppen tegen elkaar tikkend, zag ik het al. Het gedoe met die tikkende vingers kon niet verhelen dat alles beefde en trilde.

“Welaan, laat ik eens een borreltje nemen, kan ik er jou ook een laten bezorgen kerel?” Ik schudde mijn hoofd.

“Frits, breng me een witje wil je. In het juiste glaasje graag, en niet beneden het streepje, ouwe rakker!” Het was een vreemde kruising tussen de vroeger wat flamboyante Brakelmans, een zeer gewone Brakelmans en een vechtende Brakelmans die binnen de eerste de tweede als een angstwekkende degenerant op zich af ziet komen.

“Zo, en een lekker borreltje voor meneer,... en meneer?” Ik zei dat ik nog even wachtte en keek wat het borreltje met Brakelmans ging doen. Het effect was groot - het glas was nog niet leeg of het trillen van Brakelmans hield al op.

“Ik moet straks naar Bastiaan en Pieter-Jan toe, eh..., Van Dijk en Beelenbrock dus”, zegt Brakelmans. Hij wijst op zijn glimmende koffertje. “Die jongens draaien leuk, ik doe wel eens wat voor ze, maar nu willen ze dat ik erbij kom en ik weet verdomd niet of ik dat nou wel zal doen.”

Van Dijk en Beelenbrock waren een paar keien van de research die voor zichzelf waren begonnen. Het leek me onwaarschijnlijk dat die zaten te wachten op een mistlamp als Brakelmans, zeker nu er niets meer aan hem blonk.

“En wat doe je verder zoal?”, hoor ik mezelf hardvochtig vragen.

“Och”, zegt hij, “ik snuffel nog wel eens in de bieb, je wilt natuurlijk bijblijven, maar ik heb nog minder tijd dan vroeger.” Hij klopt op zijn koffertje. “Ik gun me nog even een geringe plaspauze en dan roept de plicht weer”, zegt hij terwijl hij overeind komt en wegloopt.

Het goed onderhouden koffertje glimt naast zijn stoel. Zelden wilde ik zo graag weten of een buitenkant iets toont van wat erbinnen zit. Ik maak het open... en het is totaal leeg. Het was gewoon een leeg koffertje, schoon en geurend naar bijenwas.

Ik huiver. Ik denk aan zijn bezigheden vroeger, aan zijn sigarettenpijpje en zijn Rolex, al die zinloosheden, en nu dit, de suggestie van iets dat helemaal niet meer is. Volgt dat erop?