Bedrijfsleven ontketent stille milieurevolutie; Bedrijven autonomer bij milieubeleid

Met veel klaroengeschal bezingen overheid en bedrijfsleven deze week een 'stille revolutie' in het milieubeleid. Zelfs de milieubeweging is enigszins onder de indruk.

DELFT, 28 JAN. “Kijk”, roept ir. R. Weltevreden van Gist Brocades, staande op een platform boven een reusachtig bassin met een kolkende grijze maalstroom. “Dit is de Carrousel, onze nieuwste installatie voor de zuivering van afvalwater. Met enorme roerkleppen worden hier bacteriën rondgestuwd, die het water helpen zuiveren. Van luieren houden we niet.”

Elke dag weer brengt het Delftse chemische bedrijf, dat goed is voor een derde van 's werelds penicillineproductie, grote hoeveelheden zwaar vervuild water voort. Dankzij de in 1995 in gebruik genomen installatie en een al eerder gebouwd verwerkingssysteem wordt 98 procent van de schadelijke stoffen nog op het fabrieksterrein zelf uit het afvalwater gehaald. “We kunnen de rest zonder risico's door de riolering lozen”, aldus Weltevreden.

Nog maar twee decennia geleden spuide het bedrijf ruwweg evenveel afvalwater in het riool als een industrieloze stad van een miljoen inwoners. Inmiddels is dat gereduceerd tot het equivalent van een plaats met ongeveer 20.000 inwoners, terwijl de productie van het bedrijf zich meer dan verdubbelde. Gist Brocades is een van de duizenden industriële bedrijven die in nauw overleg met de overheid - maar in eigen beheer - maatregelen nemen om de vervuiling van het milieu tegen te gaan. Na een periode vol conflicten schakelden overheid en industrie bij het eerste Nationaal Milieubeleidsplan in 1989 over op een nieuwe aanpak. Daarbij gunt de overheid de bedrijven meer vrijheid hun afvalproblemen zelf op te lossen, binnen grenzen die de politiek vaststelt ('het doelgroepbeleid').

Hiertoe werden zogeheten convenanten afgesloten tussen overheid en bedrijfstakken. Sommige raken bijna alle bedrijven in het land. Bij het Convenant Verpakkingen, bedoeld om het verpakkingsafval terug te dringen, zijn inmiddels circa 400.000 bedrijven aangesloten. Daarnaast bestaan talrijke kleinere, nog prozaïscher klinkende overeenkomsten zoals het 'houten binnentrap convenant' of het 'convenant papier-geïsoleerde kabelresten'. Bedrijven stellen voorts ook eigen bedrijfsmilieuplannen op. Zowel bij bedrijfsleven als milieubeweging bestond aanvankelijk scepsis over deze aanpak, maar die verdampte snel. De bedrijven waren blij van de vaak gedetailleerde maar onpraktische voorschriften van de overheid verlost te zijn. Tegelijkertijd wisten ze dat het de overheid menens was en dat ze bij schending van de afspraken op sancties konden rekenen. In sommige bedrijfstakken, zoals de chemie en de zuivelindustrie, ziet het ernaar uit dat alle milieudoelstellingen voor het jaar 2000 zullen worden gehaald. In andere sectoren, zoals in de basismetaal, is dat de vraag.

Overheid en industrie zijn intussen zo tevreden over dit beleid dat ze al spreken van een “stille revolutie” - tegelijk de titel van een deze week in Den Haag gehouden symposium over dit thema. “Zeker, er zijn nog allerlei knelpunten en niet op alle milieuproblemen hebben we voldoende greep, maar we hebben wel een nieuwe manier van werken ontwikkeld die haar vruchten begint af te werpen”, schreven minister De Boer (VROM) en Hans Blankert, voorzitter van het werkgeversverbond VNO-NCW, in het voorwoord van het bij die gelegenheid gepresenteerde boek 'Stille Revolutie'. Zelfs de tegenover het bedrijfsleven vanouds zeer kritische milieubeweging - “Die wekte vaak de indruk dat er louter criminelen binnen onze poorten rondliepen”, aldus een medewerker van Gist Brocades - wilde de feestelijke stemming in Den Haag niet bederven. Bij monde van de Stichting Natuur en Milieu liet ze weten het gevolgde beleid een voorzichtig applaus waard te vinden. Maar J. Henselmans van Natuur en Milieu maakte er geen geheim van dat het hem allemaal nog lang niet ver genoeg gaat. “Ik zie het risico dat de overheid een beetje een gevangene van het bedrijfsleven aan het worden is. Die lijkt de regie steeds meer in handen te krijgen. We moeten ons bovendien afvragen: wat levert dit nu op voor het milieu? De grote problemen die echt de duurzaamheid van het milieu raken, zoals de CO2-uitstoot - daar moeten nog heel wat slagen voor worden geleverd.”

De Boer en Blankert gaven tijdens een tweegesprek in Den Haag toe dat er nog een lange weg is te gaan. Maar het bedrijfsleven wees erop dat er grenzen zijn aan het vermogen van ondernemingen om zich voor het milieu in te zetten. De afvalverwerking kost toch al handenvol geld. “Wij hebben al bijna een miljard uitgegeven aan maatregelen voor een beter milieu, zonder dat we ook maar enige return op die investeringen terugzagen”, stelde R. Goetzee, directeur van Shell Pernis.

Ook bij Gist Brocades kwam het schonere water niet voor niets. De afgelopen 25 jaar gaf het bedrijf naar eigen zeggen zo'n 175 miljoen gulden uit aan het afvalwater, waarbij het zo'n 30 miljoen aan subsidies opstreek. Gist Brocades heeft de schrale troost dat het zijn afval nog gedeeltelijk kan verkopen. Beneden de bassins met afvalwater, dat dampt in het koude winterweer, rijdt net een grote vrachtauto weg met Biocal, een kalkmeststof die zeer gewild is bij boeren om de verzuring van hun land tegen te gaan. Biocal wordt rechtstreeks gewonnen uit het afvalwater van Gist Brocades.

Hoewel een bedrijf als Gist Brocades content is met het doelgroepbeleid, verhelen medewerkers niet dat ze dit toch in de eerste plaats doen uit angst voor sancties. Die kunnen tegenwoordig stevig in de papieren lopen. Ondanks de maatregelen betaalde Gist in 1995 nog altijd bijna anderhalf miljoen gulden aan heffingen op zijn afvalwater. Zonder maatregelen zou dat overigens 50 keer zoveel zijn geweest en zou het bedrijf bovendien sluiting hebben geriskeerd. Weltevreden schat dat de milieumaatregelen de producten van Gist Brocades zeker 10 procent duurder maken dan ze anders zouden zijn geweest, terwijl buitenlandse concurrenten vaak niet aan zulke beperkingen zijn gebonden.

Of de harmonische verstandhouding tussen overheid en industrie zal voortduren, is overigens de vraag. Voor minister De Boer is dit alles nog maar het begin: “Ik vind dat we nu een stap naar een klasse hoger moeten.” Ze stelt voor om voor elke procent economische groei een deel te reserveren voor het bestrijden van de overlast op het milieu, die daar mee gepaard gaat. Zo mag het wagenpark best mogen worden gemoderniseerd.