Rivier

De Russische dichter Joseph Brodsky haalde eens een Chinees spreekwoord aan dat zei: als je lang genoeg aan de oever van de rivier zit, zie je de lijken van je vijanden voorbijdrijven. Een mooi spreekwoord, zo mooi dat ik denk dat Brodsky het zelf verzonnen had. Zijn vijanden waren de partijfunctionarissen en de mensen van de veiligheidsdiensten die hem eerst in een kamp opsloten en hem later uit Rusland verdreven.

Brodsky werd niet erg oud. Hij had een slechte gezondheid die door de tijd in het werkkamp niet verbeterd zal zijn. Toen hij dood was gegaan, bedacht ik dat zijn Chinese spreekwoord vooral mooi was voor mensen van de geest die vinden dat een vijand verslagen is als die overduidelijk ongelijk heeft gekregen.

De vijanden van Brodsky zouden er zelf waarschijnlijk anders over denken. Ze zijn in zaken gegaan en de oude partijconnecties waren daarbij nog even nuttig als vroeger. Als ze vroeger erg belangrijk waren kunnen ze nu verrijkt uranium en zelfs kant en klare atoombommen van kofferformaat op de vrije markt brengen. Als iemand ze dat spreekwoord van Brodsky zou voorhouden, zouden ze zeggen: “Domme dichter! Vroeger zat je in een kamp en nu ben je dood. Wij leefden vroeger goed en nu leven we nog beter. We hadden vroeger dus gelijk en nu helemaal. Jij had altijd ongelijk.“ En als iemand hun vraagt om rekenschap af te leggen van hun verleden, en in Rusland zijn er velen die daar om vragen, dan lachen ze die vraagsteller uit en ze wijzen op hun auto's, hun huizen en hun bankrekeningen.

Bij de openbare boetedoening die Bolkestein een paar weken geleden voor de Nederlandse communisten had georganiseerd ging het beschaafder toe, maar de verslagen in de kranten maakten me toch niet vrolijk. Ik moest denken aan een verhaal dat, als ik het me goed herinner, eens verteld werd door Donner over een schaaktoernooi in Cuba. De Duitse deelnemer en een van de Russische deelnemers ontdekten dat ze in de oorlog aan hetzelfde front gestreden hadden in Rusland, bij hetzelfde dorpje zelfs. Aan verschillende kanten natuurlijk. Die twee waren voor de rest van het toernooi onafscheidelijk, iedere avond trokken ze met een fles wodka naar een hotelkamer om de oude strijd nog eens uit te vechten en de anderen konden er niet meer tussenkomen.

Er is een lezer die nu de pen trekt om me te verwijten dat ik Bolkestein met een Duitse frontsoldaat vergelijk. Wacht nog even! Het is niet mijn bedoeling om dat te doen. De vergelijking betreft alleen het gevoel buitengesloten te zijn dat die andere schakers toen hadden. Kunnen die oude strijders niet eens ophouden, dachten ze.

Het is geen wonder dat sommige voormalige communisten er zo'n schik in hebben om steeds weer verantwoording af te leggen. Het heeft iets romantisch. Als je dan geen partij meer kan zijn in de grote historische worsteling, zoals vroeger, dan kan je nog steeds iemand zijn die de Grote Historische Vergissing heeft gemaakt.

Het zou minder romantisch zijn als de kleine vergissingen aan de orde kwamen die moeilijk als een historische worsteling beschreven kunnen worden, maar eerder als een harde vorm van loopbaanplanning. De manier waarop hele vakgroepen van Nederlandse universiteiten gezuiverd werden van andersdenkenden. Naïef idealisme is niet de term die je daarbij voor de geest kwam.

Wij bij de wiskunde hadden er weinig last van. Er was een keer een actie om iemand benoemd te krijgen wiens enige verdienste was, tenminste als je afging op de papieren die de actievoerders verspreidden, dat hij linkser was dan de kandidaat die de bestuurders in gedachten hadden, maar het ging om een vak dat 'exacte wetenschappen en maatschappij' of iets dergelijks heette, dus dat telde niet mee. Voor de echte exacte vakken was de belangstelling van de marxisten klein. En marxistische schakers waren er in de wereld maar twee, een Rus en een Nederlander. De Nederlander zei wel eens goedmoedig dat het jammer was dat mensen als ik straks het eerst tegen de muur gezet moesten worden. Dan zong ik hem de lof van de NAVO, die hem er voor behoedde dat hij de harde consequenties van zijn levensovertuiging zou moeten trekken. Het is niet uit een onvervulde behoefte om rekenschap te vragen dat dit verleden me dwars zit. Het probleem ligt in het heden.

Kijk, daar zit hij aan de oever van de rivier op zijn vaste plek, de sociaal-democraat in hart en nieren. De rivier stroomt voorbij. Hij ziet geen lijken, maar vrolijk opgetuigde bootjes. Het grote Schip van de Arbeid is van links naar rechts aan hem voorbij gevaren en ver weg hoort hij de brooddronken bemanning zingen over de zegeningen van het flexibel ontslagrecht en de privatisering van de BV Nederland.

Hij las een boek van Jan Marijnissen van de Socialistische Partij en wat hij daarin las kwam ongeveer overeen met het traditionele gedachtegoed van de vroegere Partij van de Arbeid. Het gematigde politieke midden waar hij aan gehecht was. Maar het was hem te bar om de gematigdheid te zoeken bij de voormalige maoïsten, van wie hij bovendien geen idee had hoe ze over hun sinister verleden dachten, omdat ze er met geen woord over repten.

Bij Groen Links dan maar? Samensmelting van voormalige communisten, pacifisten en christenen van onduidelijke signatuur. Wat moest hij daar? Maar de keus was niet groot.

Hij was bang dat de goedlachse ministers van het paarse kabinet de wegbereiders van een barbaarse patserscultuur waren en wat hij zocht was een politieke stroming die daartegen het burgermansfatsoen belichaamde, en even kwam het zelfs bij hem op dat in de moderne pretwereld de burgerdeugden misschien het best beschermd werden door de kleine christelijke partijtjes. Maar die sprong was te groot.

Hij dacht aan de politieke dwaallichten die van de ene splintergroep naar de andere verhuisden, van uiterst links naar uiterst rechts en weer terug. Zo wilde hij niet zijn. Hij zocht het politieke midden en vond het slechts bij de al of niet voormalige extremisten. Er moest iets mis met hem zijn of met de wereld.