Ridderslag

Achter het zwaarbewaakte verjaardagsfeest dat koningin Beatrix vanavond in (niet: aan) de hoofdstad van het land geeft, heeft het dagblad Trouw de voorbereidingen van een apart familiefeestje ontdekt. De krant heeft “sterke aanwijzingen” dat Beatrix ter gelegenheid van haar zestigste verjaardag haar zwager Pieter van Vollenhoven in de adelstand zal verheffen.

Hoe sterk die aanwijzingen ook mogen zijn, ze kloppen in elk geval niet. Het is niet uitgesloten dat de heer Van Vollenhoven in de adelstand wordt verheven - de regering heeft die mogelijkheid in 1966 al open gelaten - maar als dat gebeurt, wordt hij door de regering verheven, niet door de koningin. Dat is geen kwestie van literaire voorkeur, maar van reguliere terminologie. Net als Trouw gebruiken heel wat Kamerleden de begrippen koningin en regering in het wilde weg, zonder zich rekenschap te geven van hun constitutionele betekenis.

Het recht van adeldom is verbonden met het onuitroeibare misverstand dat het uitdelen van adellijke titels een ongedeelde bevoegdheid van de koningin zou zijn. Dat was het geval met de koning die vóór 1848 adeldom verleende, krachtens een bevoegdheid (prerogatief) die hij zonder tussenkomst van ministers uitoefende. Maar na de grondwetsherziening van 1848, die een einde maakte aan zijn alleenheerschappij, moest de koning die bevoegdheid en al zijn andere 'prerogatieven' delen met de ministers.

Desondanks zou het spraakgebruik zich nog vaak in die nieuwe constructie vergissen. Hele politieke volksstammen - niet alleen de conservatieve - bleven de persoonlijke koning bevoegdheden toeschrijven die in de praktijk door de ministers werden uitgeoefend. In de oude Grondwet (art. 74) stond: De koning verleent adeldom. De nieuwe Grondwet zegt daar niets meer over. Het artikel is uit de Grondwet geschrapt en opgelost in de Wet op de adeldom.

Intussen is adeldomsverlening al heel lang geen praktijk meer. In de memorie van toelichting op de toestemmingswet voor het huwelijk van prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven verklaarde de regering in 1966: “Al jaren geldt als beleidslijn, dat geen adeldom meer wordt verleend.” Sinds 1945 was dat regel geworden. In de schriftelijke voorbereiding van die toestemmingswet (volgens het tegenwoordige grondwettelijk voorschrift van art. 28) schreef de regering “geen reden te zien in het onderhavige geval van deze beleidslijn af te wijken en het jonge paar wenste dit evenmin”. Van Vollenhoven bleef dus op zijn bruiloft wat hij was, een meneer, maar de regering hield de deur op een kier. Zij liet de mogelijkheid open dat hem “later eventueel alsnog de titel zal worden verleend”. Dat compromis was na lang touwtrekken tussen koningin Juliana en het kabinet-Cals uit de bus gekomen. De schoonzoon van de koningin werd geen prins, maar hij zou in de toekomst beloond kunnen worden. Cals moet gedacht hebben: laat dat een socialistische premier na mij maar opknappen. Volgens Trouw zou het nu om de grafelijke titel gaan. Daarover hoeven in elk geval geen opstanden uit te breken.

Uit de kranten van de vorige week veeg ik nog een paar koninklijke kruimels bijeen. Het Tweede-Kamerlid Van Middelkoop van het even rechtzinnige als koningsgezinde Gereformeerd Politiek Verbond heeft de liberalen gekapitteld omdat zij de troonopvolger de vrijheid willen geven zijn erfopvolgingsrecht op te geven. Volgens Van Middelkoop spreekt daaruit een gebrek aan respect voor het koningshuis. Van Middelkoop trapt een open deur in, want het ligt in de natuur van (echte) liberalen om weinig op te hebben met een koningshuis. Sommige liberalen willen nog wel een uitzondering maken voor het Huis van Oranje, maar dat doet aan hun antimonarchale gezindheid in wezen niets af. De onderhavige kwestie houdt met het respect voor het koningshuis echter geen verband. Men kan het koningshuis aanhangen en toch principieel voor het herroepen van het erfopvolgingsrecht zijn. Het is een Prins van Oranje geweest die die vrijheid het eerst heeft opgeëist. In 1848 maakte de troonopvolger (de latere koning Willem III) er zoveel trammelant over dat zijn vader (Willem II) er 'ernstig hartzeer' van kreeg. De regering gaf hem de kous op de kop en verklaarde vrijwillige afstand van het troonopvolgingsrecht in strijd met de Grondwet. De Grondwet zei er weliswaar niks over, maar de regering beliefde die zo te lezen. De staatscommissie-Cals/Donner oordeelde er 120 jaar later milder over en vond dat ook de troonopvolger zich desgewenst van zijn erfopvolgingsjuk moest kunnen ontdoen. Zo'n recht hoeft echter niet in een wet te worden geregeld, zoals de VVD wil. Het is praktischer de wet erbuiten te laten. De regering moet zoiets laten afhangen van de kwaliteit van de beschikbare troonopvolgers en van haar eigen grondwettelijke wijsheid, hetzij koningsgezind, hetzij republikeins.

In Amsterdam, ten slotte, had iemand van de gemeente bedacht dat het een leuk idee was om koningin Beatrix voor haar zestigste verjaardag te verrassen met een massale aubade, uitgevoerd door de verenigde Amsterdamse zangkoren. Uit de berichtgeving in Het Parool over de voorbereidingen kreeg ik het vermoeden dat hier de humor van import-Amsterdammers aan het werk was geweest. Wie zo iets bedenkt loopt een halve eeuw achter, maar daar moeten er meer van zijn geweest, want anders was het aubadeplan bijtijds in de prullenbak verdwenen. Nu moesten de bedenkers door de jarige zelf uit de droom worden geholpen. Ze liet weten van aubades niet gecharmeerd te zijn. Dat was nog veel te koninklijk gezegd. Als de koningin zich explicieter had uitgesproken, had Amsterdam een goed excuus gehad om het comité voor publieke vermakelijkheden en bloc af te zetten (en op te heffen). Nu zal het joelcomité zich willen revancheren en een volgende keer met een even erg plan voor de dag komen.