'Onjuiste opstelling'; Brief Sorgdrager

Fragmenten uit de brief die minister Sorgdrager (Justitie) gisteren aan de Tweede Kamer heeft gestuurd over de gebeurtenissen van afgelopen donderdag:

[...] De vraag is aan de orde of de opstelling van het College van procureurs-generaal en in het bijzonder die van de Voorzitter van het College te verenigen valt met hetgeen van hem verwacht mag worden. Alvorens nader op deze vraag in te gaan merk ik op dat tussen het College en mij dezelfde uitgangspunten dienen te gelden als tussen ambtenaren en politiek verantwoordelijken in het algemeen. Onverminderd de bijzondere positie die het openbaar ministerie in ons staatsbestel inneemt, is de positie van de leden van het openbaar ministerie immers niet anders dan die van andere ambtenaren. Juist de bijzondere taken die het openbaar ministerie vervult, maken het nodig dat het College zich hiervan voortdurend rekenschap geeft. De voorzitter van dat College is daarbij voor mij het eerste aanspreekpunt. Dat vraagt om een bijzondere vertrouwensband.

Voor de beantwoording van de hiervoor gestelde vraag is het volgende van belang. In het rapport dat door de heer Dolman op mijn verzoek is opgesteld wordt het volgende geresumeerd: [...] “De vraag kan dan rijzen of tijdens het onderzoek de band van Steenhuis met Bakkenist onbewust toch al dan niet van invloed is geweest op de wederzijdse bejegening van de onderzoekers en Steenhuis en in het verlengde daarvan op de inhoud van het rapport. [...]”

Over de feiten bestaat geen verschil van mening. Daargelaten welke rechtspositionele gevolgen daaraan precies moeten worden verbonden voor wat betreft de positie van de heer Steenhuis, moet voorop staan dat een dergelijke gang van zaken niet had mogen plaatsvinden. [...]

Helaas heb ik moeten constateren dat er een verschil van inzicht bestaat tussen mijzelf en de voorzitter van het College omtrent de appreciatie van hetgeen is voorgevallen. Dit was het kernprobleem dat in de besprekingen op donderdag avond 22 januari bleek. Van de voorzitter van het College mocht worden verwacht dat hij onderkende dat hetgeen is voorgevallen mede het aanzien van het openbaar ministerie raakt en dat hij daarin zijn eigen verantwoordelijkheid zou hebben genomen. Daarentegen heeft hij zich als belangenbehartiger van de heer Steenhuis tegenover de minister opgesteld. Het voorgaande kan mede worden geadstrueerd aan de hand van de gang van zaken met betrekking tot het aanhangig gemaakte kort geding. Niet is immers gebleken dat de voorzitter de heer Steenhuis heeft ontraden een dergelijk kort geding aanhangig te maken, ook nu dat plaatsvond op een moment dat noch de heer Steenhuis noch de voorzitter kennis had kunnen nemen van het rapport, laat staan daarover met mij had kunnen overleggen. Reeds 's middags was daaromtrent een kort geding aangekondigd, welk bericht even na 17.30 uur de Landsadvocaat bereikte.

Uiteraard heeft een ieder het recht om een (rechtspositioneel) geschil aan de rechter voor te leggen, ook procureur-generaal Steenhuis, maar het is aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal om in een dergelijk geval open overleg mogelijk te maken in plaats van het aanvangen van rechtsmaatregelen te ondersteunen. Bovendien heeft hij als voorzitter van het College niet tegengegaan dat het gehele College in de kwestie werd betrokken waardoor deze nadrukkelijk werd gecollectiveerd. Daardoor is een situatie, althans een beeld, geschapen van een College (een openbaar ministerie) dat zich opstelt tegenover de minister en is het beeld van een gezagscrisis ontstaan. [...]