Loonstrookje akelige verrassing én een raadsel

Het kabinet komt zijn belofte na, zei minister A. Melkert (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) gisteren: de koopkracht stijgt dit jaar voor iedereen. Op het loonstrookje van januari zien velen het tegendeel. De Tweede Kamer moet wel reageren.

DEN HAAG, 27 JAN. Voor veel burgers leek het alsof het eerste loonstrookje van dit jaar in een keukenmixer had gezeten. Menig loonstrookje van januari liet lagere bedragen zien dan die van december vorig jaar, ondanks plechtige beloften van het kabinet dat iedereen er in 1998 op vooruit zou gaan.

Volksverlakkerij, menen De Telegraaf en oppositionele Tweede-Kamerfracties, want het kabinet meldt de ene na de andere belastingmeevaller, de economische groei zet onverminderd door en de vooruitzichten blijven gunstig.

De werkelijkheid is ingewikkelder dan deze tegenstelling, maar de Tweede Kamer ontkomt er niet aan donderdag over het loonstrookje te debatteren. De brief die minister Melkert (Sociale Zaken) gisteren naar de Kamer stuurde, moet de basis voor het debat vormen. Sinds vorige week is met man en macht op het ministerie van Melkert aan deze brief gewerkt.

In de brief wordt geprobeerd voor elke categorie Nederlander aan te geven hoe zijn koopkracht er dit jaar uit komt te zien. Koopkracht is meer dan alleen loon op een loonstrookje. Daarover zijn Kamer en Melkert het alvast eens.

Niemand zou er dit jaar op achteruitgaan, zo luidde de belofte van het kabinet. Althans, het koopkrachtoverzicht voor 1998 dat samen met de Miljoenennota werd gepresenteerd, liet louter plussen zien. Bij die plussen moet wel rekening gehouden worden met zaken als een verlaging van de lokale lasten met honderd gulden en hogere huursubsidies, kinderbijslag en arbeidskostenforfait. Ook de verhoging van de uitkeringen op 1 juli vorig jaar, wegens de koppeling aan de loonontwikkeling, is in de koopkrachtcijfers van dit jaar meegenomen. Bovendien is pas aan het eind van het jaar duidelijk hoe de koopkracht er werkelijk uit ziet als via het belastingbiljet de balans wordt opgemaakt van onder andere de aftrekposten.

Het nettoloon is derhalve een deel van het koopkrachtverhaal, maar door allerlei wijzigingen die op 1 januari zijn ingegaan, is dat deel zo ingewikkeld geworden dat ook de Tweede Kamer het niet meer weet.

De complexiteit van alle wijzigingen wordt zichtbaar voor wie zijn loonstrookje van januari vergelijkt met dat van december vorig jaar. Alleen het brutosalaris is hetzelfde gebleven, als er tenminste geen sprake is van een 'periodiek' of promotie. De verschillen draaien met name om de overhevelingstoeslag, soms op het strookje aangegeven met 'OT'. Deze compensatietoeslag betaalt een werkgever aan de werknemer sinds 1990 toen de werknemer premies voor enkele volksverzekeringen moest gaan betalen die daarvoor door de werkgever werden betaald.

De bedoeling van de overhevelingstoeslag is om werknemers noch werkgevers iets te laten merken van veranderingen van de premies voor volks- en sociale verzekeringen.

Zo'n verandering is op 1 januari ingegaan: niet de werknemer betaalt nog langer voor de WAO-premie, maar de werkgever. Daardoor gaat de overhevelingstoeslag die werknemers krijgen fors omlaag, van zo'n tien procent van het brutoloon na aftrek van sociale premies naar 1,7 procent.

Met die verschuiving is het verhaal over het slagveld dat deze maand 'loonstrookje' heet, nog lang niet rond. Het bedrag dat werknemers minder aan overhevelingstoeslag ontvangen is groter dan het bedrag dat ze vorig jaar nog aan WAO-premie moesten betalen. Ook de premieheffing van de WW is flink veranderd: de lagere inkomens betalen nu minder WW-premie en de hogere inkomens meer. Daar staat tegenover dat de premie Ziekenfondswet is verlaagd van 1,35 naar 1,2 procent en dat de pensioenfranchise (het bedrag waarover geen pensioenpremie hoeft te worden betaald) is verhoogd.

Verder is het nettoloon beïnvloed door een verhoging van de belastingvrije som, door een verlaging van het tarief voor de eerste belastingschijf en door een 'verlenging' van die schijf. Al deze wijzigingen samen vormen een gordiaanse knoop, want de nieuwe (premie)percentages worden op hun beurt met gewijzigde loonsommen ('Loon voor Sociale Verzekeringen', 'Loon voor overhevelingstoeslag', 'Loon voor loonheffing') berekend.

Probeer dan als gewone sterveling maar eens aan te tonen dat het lagere nettoloon op het strookje van januari de schuld is van 'Den Haag'. En dat dit niet het gevolg is van een andere berekening van de onkostenvergoeding, van een ander regime voor de ziektenkostenpremie, van het stopzetten van de teruggave van WW-wachtgeldpremies of van een te laat ingeleverde loonbeschikking.

Het hoeft niet te verbazen dat minister Melkert, steeds als hij wordt geconfronteerd met de lagere-nettolonen-voor-iedereen, het erop houdt dat de inkomensteruggang “individuele gevallen” betreft.

Zo is ingecalculeerd dat de mensen met een kleine deeltijdbaan die minder verdienen dan de belastingvrije voet, zoals de postbodes die alleen op zaterdag werken, er enkele tientjes netto op achteruitgaan. Zij betaalden geen premies, maar kregen wel de tien procent overhevelingstoeslag die nu naar 1,7 procent is verlaagd.

Volgens de fracties van het CDA en Senioren 2000 in de Tweede Kamer zijn ook gepensioneerden, ambtenaren, grensarbeiders en VUT'ers er op 1 januari op achteruitgegaan.

Tot nu toe heeft het departement van Melkert, die loonstrookjes van woedende burgers kreeg gefaxt, steeds kunnen aantonen dat het lagere nettoloon het gevolg was van individuele omstandigheden.

Loonstrookjes zijn zo ingewikkeld geworden dat Melkert en zijn opvolgers dat argument tot in lengte van jaren zouden kunnen hanteren.

Een gewone sterveling weet niet wie hij de schuld kan geven van lager nettoloon