Grotesque

“President Clinton”, zei zondag een Amerikaanse vrouw tegen een tv-journalist, “heeft kennelijk moeite om zijn ... (lachje) zijn genitaliën in zijn broek te houden.” Dat lijkt langzamerhand een heel redelijke formulering van Clintons probleem.

Hoe vreemd, denkt een gewoon mens, dat iemand wiens leven jarenlang beheerst moet zijn door de ambitie om president van Amerika te worden, zich vervolgens niet een paar jaar kan inhouden. Twee ambtstermijnen keurig gedrag zouden alles zoveel makkelijker maken, zelfs het wegwuiven van vroegere escapades. Om niet te zeggen dat je, bij zoveel politieke ambitie, eigenlijk beter altijd het werk voor het pretje kunt laten gaan. Waarom doet zo'n man zo stom?

Toch is die reactie onzinnig. Wie wel eens een echte, invloedrijke rokkenjager is tegengekomen, weet dat voor hem het een onlosmakelijk is verbonden met het ander. Clinton wilde graag president van de Verenigde Staten worden; dat hij dan een onbeperkt aantal vrouwen zou kunnen versieren, maakte deel uit van dat verlangen. Je hebt mannen als Clinton niet alleen in Amerika. Je hebt ze in de politiek, maar ook in de wetenschap, de kunst, de zakenwereld. Het betekent niet eens speciaal dat zij hun werk slechter doen dan anderen - maar zij doen het, voor een groot deel, om de seks.

Onweerstaanbaar doemt het beeld op van groteske figuurtjes zoals die in de Middeleeuwen als speldjes werden gedragen: mannetjes die een kruiwagen voortduwen waarop hun gigantische geslachtsdeel rust. Zij kunnen niet anders, hun ego, hun libido, hun ambitie liggen allemaal op dat wagentje. En dat moeten zij altijd maar voor zich uit duwen. De boel een poosje in de broek te houden, dat kan gewoon niet.