'Geen muiterij'; Brief Docters van Leeuwen

Fragmenten van de brief die procureur-generaal Docters van Leeuwen zondag aan het openbaar ministerie stuurde over de gebeurtenissen van afgelopen donderdag:

[...] Het beeld van muiterij [...] is in strijd met de feitelijke gang van zaken en komt in het geheel niet overeen met de wijze waarop wij de verschillende gesprekken hebben ervaren. Die was als volgt.

Donderdagmiddag om 14.00 uur liet de secretaris-generaal mij weten dat het rapport-Dolman gereed was en dat de heer Steenhuis en ik om 18.00 uur op het departement verwacht werden. Desgevraagd zei hij dat wij voorafgaand aan dat gesprek geen inzage in het rapport zouden krijgen. Op mijn verzoek stemde de secretaris-generaal ermee in dat de twee overige collegeleden, de heren Ficq en Blok, om 18.30 uur, na afloop van het gesprek, op het departement beschikbaar zouden zijn voor onderling beraad.

De wenselijkheid om te kunnen overleggen vloeide voort uit een eerdere beslissing. De overige Collegeleden hadden namelijk op de dag dat zijn adviseurschap bekend werd, de heer Steenhuis duidelijk gemaakt dat van verdere samenwerking in het College alleen sprake zou kunnen zijn indien uit het door de minister inmiddels geëntameerde onderzoek niet zou blijken van op daadwerkelijke belangenverstrengeling wijzende feiten.

Rond 16.00 uur bereikte ons van de zijde van parketten het bericht dat medewerkers van het departement de leiding van alle parketten verzocht hadden het daarheen te leiden dat diezelfde avond om 19.30 uur personeel aanwezig zou zijn om een belangrijke mededeling van de minister, per fax te verzenden, in ontvangst te nemen en door te leiden. Ik heb daarop telefonisch contact opgenomen met de secretaris-generaal. Hij bevestigde het bericht en lichtte toe dat besloten was tot deze ongebruikelijke stap - normaal communiceert de departementsleiding immers via het College met de hoofdofficieren en plv. PG's - op grond van de aard van de mededeling. Desgevraagd zei hij over de inhoud daarvan niet te kunnen spreken. Wel zei hij dat het College er niet vanuit mocht gaan dat het onderzoek van de heer Dolman een geruststellende uitkomst had; het was ernstiger. Op mijn vraag of hij een indicatie van die ernst wilde geven, antwoordde de secretaris-generaal ontkennend.

De heer Steenhuis stond aldus oog in oog met het gegeven dat hij hooguit anderhalf uur de tijd zou krijgen voor kennisneming van een rapport dat hij nog niet kende, maar kennelijk ernstige uitkomsten bevatte, alsmede voor beraad en juridisch advies over zijn rechtspositie bij een oordeel dat hij nog niet kende, maar dat naar buiten gebracht zou worden. Daarom besloot de heer Steenhuis een voorlopige voorziening [kort geding, red.] te laten voorbereiden.

Het eerste gesprek dat door uitloop van een Kamerdebat tegen zeven uur begon, duurde ruim een half uur. De minister schorste voor beraad. Daarna hebben de secretaris-generaal en de plv. directeur-generaal WRR het gesprek met Steenhuis en mij voortgezet. De beraadslagingen gingen over de wijze waarop de minister in een brief aan de Tweede Kamer de rechtspositionele consequenties voor de heer Steenhuis voornemens was te verwoorden. Op de aanvankelijk geformuleerde voornemens met betrekking tot een waardering van de feiten en de maatregelen die de minister daaraan wilde verbinden, hebben de heer Steenhuis en ik indringend gereageerd, hetgeen heeft geleid tot de formulering die in de brief aan de Kamer is opgenomen. Voor mij was van belang dat de op het recht georiënteerde zaak van het College vereist dat een lid van het College wordt behandeld op basis van de feiten van het recht. [...]