COR KOPPIES (1936-1998); Kleine zelfstandige

AMSTERDAM, 27 JAN. Het was altijd een eind fietsen naar Cinétol, maar wat heb ik er genoten van films van Bergman, Polanski, Chabrol, Truffaut en vele andere, minder bekende regisseurs. Zaterdag overleed in zijn woning in Nieuwkoop op 61-jarige leeftijd de bioscoopexploitant en filmdistributeur Cor Koppies, de man die de voormalige theosofische tempel aan de Tolstraat in de Amsterdamse Pijp in 1961 ombouwde tot een heiligdom voor cinefielen.

Hij was er in 1954 in dienst gekomen als leerling-operateur en nam zeven jaar later de exploitatie over van de buurtbioscoop. Filmhuizen bestonden nog niet en Cinétol werd het Nederlandse brandpunt van de Nieuwe Golf. Koppies vertoonde de nieuwerwetse Franse, Italiaanse en Amerikaanse films en organiseerde film-teach-ins. Het was niet ongebruikelijk dat op een nacht zeshonderd mensen, onder wie alle jonge Nederlandse regisseurs en critici, elkaar in de haren vlogen over hun filmopvattingen.

Zelf had Cor Koppies, een bevlogen ras-Amsterdammer met een pluizige kroegbazensnor, geen vijanden in de van haat en nijd vervulde Nederlandse filmwereld. Zijn onafhankelijkheid als kleine zelfstandige werd bewonderd en gewaardeerd; nooit taalde hij naar subsidie voor zijn bijdragen aan de filmcultuur, maar hij was niet jaloers op instellingen en mensen die daar wel van profiteerden. Als enige lid van de Nederlandse Bioscoopbond werkte Koppies langdurig samen met Huub Bals, oprichter van het Rotterdamse filmfestival en instigator van de aanvankelijk door de bioscoopeigenaren zeer gewantrouwde filmhuisbeweging. Hij richtte in 1976 een kleine tweede zaal van Cinétol in, spottend 'de bezemkast' genoemd, voor de door Bals geïmporteerde films. In 1977 was een tent op de binnenplaats van de bioscoop het middelpunt van een Amsterdamse nevenmanifestatie van het Rotterdamse festival.

Ook toen in 1979 Cinétol sloot en Koppies een nieuwe bioscoop met vier zalen nabij het Leidseplein opende (Cinecenter), mocht Bals er een van programmeren. Weer een jaar later liet Bals Koppies in de steek en stapte over naar Kriterion.

Tot 1994 exploiteerde Koppies Cinecenter en bleef zelf films uitbrengen, zoals Bergmans Fanny en Alexander en Fiorile van de gebroeders Taviani. Toen verkocht hij de zaak en kondigde aan een bootje te kopen om te gaan dobberen op de Nieuwkoopse Plassen. Bij zijn afscheid zei hij in een interview: “Over drie maanden is iedereen mij vergeten”. Wel kreeg hij nog de Speciale Bestuursprijs van het Nederlands Filmfestival, ook voor zijn verdiensten als lid van de Raad voor de Kunst en veelvuldig onbezoldigd jurylid en adviseur op filmgebied. Eén keer trad Koppies als filmproducent op, voor zijn vriend Dick Visser, die in 1970 Allemaal naar bed regisseerde, een zijn tijd ver vooruit zijnde quasi-documentaire, waarin amateurs uit de kleren gingen voor de camera. Het werd een flop, volgens Koppies omdat in de montage besloten was de exhibitionistische acteurs tegen zichzelf te beschermen. Ook als producent was Koppies dus weer eens te aardig geweest.