College PG's: magistraat of manager?

Sinds twee jaar schommelt het College van PG's tussen de politiek en de onafhankelijke rechterlijke macht. Deze vreemde positie is “het staatkundige dynamiet in de dramatische botsing tussen Sorgdrager en het OM”.

DEN HAAG, 27 JAN. “Wat voor college is het College van PG's?” vroeg een Kamerlid anderhalf jaar geleden enigszins wanhopig bij de bespreking van de nieuwe organisatie van het openbaar ministerie (OM). Magistraat of manager? Deze vraag heeft een nieuwe actualiteit gekregen door de botsing in de zaak-Steenhuis tussen minister Sorgdrager (Justitie) en haar procureurs-generaal, die nu ook bijval hebben gekregen van de (hoofd)officieren van justitie.

Het College van PG's bestaat in zijn huidige vorm nog maar twee jaar. Het werd 1 januari 1995 ingesteld door Sorgdrager als voorschot op de grootscheepse reorganisatie van het OM die zij in gang heeft gezet. Het nieuwe college is de opvolger van de vergadering van procureurs-generaal bij de vijf gerechtshoven, die fungeerde als het landelijk beleidscollege van het OM. Het stelde richtlijnen op voor de vervolging van bepaalde delicten en bracht sinds de jaren zeventig ook een eigen jaarverslag uit.

Het was een ongemakkelijk gezelschap, liet de kersverse PG bij het Hof in Den Haag mr. Winnie Sorgdrager in juli 1994 blijken in een gesprek met deze krant. Als lid van de vergadering hadden de PG's ieder hun landelijke portefeuilles (milieu, verkeer, georganiseerde misdaad, etc.), maar ze waren daarnaast ook integraal verantwoordelijk voor hun eigen geografisch rechtsgebied (ressort). De vergadering werd bovendien voorgezeten door iemand die niet bij het OM hoorde, de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie. Sorgdrager in 1994: “Zo kun je nooit beleid maken of beslissingen nemen, want je bent gebonden.”

Er moet een nieuwe topstructuur komen, vond een commissie onder leiding van de voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid mr. J.P.H. Donner. Deze commissie was ingesteld op verzoek van de Tweede Kamer met als directe aanleiding de commotie over vormfouten van het openbaar ministerie en het heenzenden van verdachten. Donner c.s. bepleitten een “centrale leiding”, een raad van bestuur van drie à vier leden bovenop de bestaande organisatie. De voorzitter zou een beslissende stem moeten krijgen en fungeren als “aanspreekpunt van het OM voor de minister van Justitie”.

PG Sorgdrager vond een nieuw college net een stap te ver. Beter was volgens haar “dat wij met ons vijven aan de slag gaan en één van ons voorzitter wordt”. Als minister kwam zij echter met een college in de stijl van Donner. Drie leden met slechts één specifieke portefeuille (rechtshandhaving) en twee algemene (beheer, ontwikkeling). De leden zouden niet eens meer jurist hoeven te zijn.

Om de toon te zetten liet Sorgdrager alvast één van de vijf PG-plaatsen onvervuld en trok als nieuwe voorzitter een niet-magistraat aan: Arthur Docters van Leeuwen, laatstelijk hoofd van de BVD en een erkende Haagse zwaargewicht. De Kamer hikte daar toch wel tegen aan; zou de nieuwe 'super-PG' niet een 'onderminister' worden?

Met een grotere mate van zelfstandigheid en een centrale leiding “mag de greep van de minister op het OM niet verzwakken”, zei toenmalig fractievoorzitter Wolffensperger van D66. Maar het openbaar ministerie heeft een uiterst gevoelige schakelfunctie tussen de minister van Justitie (met bijbehorende politieke verantwoordelijkheid) en de onafhankelijke rechter. De wet accentueert dat door het OM een monopolie te verlenen op het al dan niet instellen van een strafvervolging. Dit vereist juist “een organisatorische en juridische afstand tussen het OM en de minister van Justitie”, vond de commissie-Donner.

Deze principiële controverse is nog steeds niet naar behoren opgelost en vormt het staatkundige dynamiet in de dramatische botsing tussen Sorgdrager en het OM.