Amerika neemt wraak op de tegencultuur

Toen Bill Clinton in 1992 George Bush versloeg, was hij volgens Menno de Galan het spiegelbeeld van zijn voorganger Richard Nixon. Als Democraat werd hij president in een conservatief tijdperk. Maar net als Nixon wist hij één ding: alles is public relations.

Voor Amerika begint de nieuwe wereld nu in 1972. Zo luidde de kop boven het stuk van J.H. Sampiemon in de krant van 23 januari. Het ging over een 'breuklijn' in de buitenlande politiek van de Verenigde Staten - over pingpong met China en detente met de Sovjet-Unie, onder leiding van president Richard Nixon en veiligheidsadviseur Henry Kissinger.

Maar 1972 was ook het jaar dat, onder verantwoordelijkheid van Nixon, de nieuwe wereld in de binnenlandse politiek van Amerika begon: in juni van dat jaar vond de inbraak plaats in het Democratische hoofdkwartier in Washington, gevestigd in het Watergate-complex.

Watergate, de moeder van alle gates, zoals de Washington Post vorige week naar aanleiding van de jongste seksperikelen van Bill Clinton met onverholen trots in een redactioneel commentaar schreef, veroorzaakte een aardschok in de Amerikaanse politiek. De 'derderangs inbraak' van vijf Republikeinse huurlingen leidde tot het voortijdig aftreden van president Nixon, dompelde het Amerikaanse politieke systeem in een crisis, maakte helden van twee verslaggevers van de Post en vergrootte de macht van de media.

Nu is er een reële kans dat opnieuw een president voortijdig het Witte Huis gaat verlaten. Een vergelijking van Watergate met het huidige schandaal - Monicagate - dringt zich dan ook op.

Dankzij de New Nixon Tapes, de op bandrecorder opgenomen gesprekken tussen de president en zijn voormalige medewerkers tussen juni 1971 en juli 1973 die onlangs in boekvorm zijn verschenen, is het mogelijk een gedetailleerd beeld te geven van de anatomie van het schandaal, zoals zich dat in het brein van Nixon ontwikkelde.

De tapes leveren het definitieve bewijs dat 'Watergate' begon op 13 juni 1971, met de publicatie van de Pentagon Papers door de New York Times. De studie naar de Amerikaanse betrokkenheid bij de oorlog in Vietnam was gelekt door Daniel Ellsberg, een oud-medewerker van Kissinger. Die werd er ernstig door in verlegenheid gebracht. De president - zo hield Kissinger Nixon voor - zou een zwakkeling zijn indien hij dit over zijn kant zou laten gaan.

Bij Nixon sloegen daarop de stoppen door. De vijand “gebruikt alle mogelijke middelen, wij gaan alle middelen gebruiken die tot onze beschikking staan”, zei hij. En: “Ik weet hoe het spel gespeeld wordt, en we gaan het nu spelen”. Een speciale eenheid, 'de loodgieters', werd in het leven geroepen om smerige trucs uit te voeren. Inbraken in het kantoor van de psychiater van Ellsberg en het hoofdkwartier van de Democraten volgden.

Watergate, zei Nixon voortdurend, was chicken-shit. De inbraak was volgens hem te stom voor woorden, een lachertje, bizar. Inbreken en afluisteren, hield hij zijn medewerkers voor, was bovendien geoorloofd: het hoorde bij het politieke spel, zoals ook lekken naar bevriende journalisten daarvan onderdeel uitmaakte. Dat laatste was zelfs essentieel om te overleven: politiek in Amerika was volgens de president een kwestie van public relations. Wie zijn verhaal het overtuigendst wist te brengen, kon rekenen op sympathie van de media en het volk.

Nixon had in de jaren veertig het zogenoemde negatieve campagnevoeren - een eufemisme voor het plegen van karaktermoord op de tegenstander - tot politieke kunst verheven. In een geruchtmakende zaak had hij vervolgens de Democraat Alger Hiss - lid van het establishment - als voormalige communistische spion helpen ontmaskeren, door diens leugens en cover-ups te openbaren. Sindsdien, wist hij, konden de Democraten zijn bloed wel drinken. Progressief Amerika had het op hem gemunt.

Puur op karakter - en nadat hij al vele malen was afgeschreven - was hij er in 1968 alsnog in geslaagd president te worden. Hij had de politieke top bereikt, als gematigde Republikein in een progressief tijdperk. De psychische schade die hij daarbij had opgelopen was echter aanzienlijk. Hij vermoedde - wist eigenlijk wel zeker - dat onder elke put in Washington een politieke vijand verborgen was, die hem in een hinderlaag wilde lokken. Dat was nu eenmaal de politieke realiteit, hield hij zijn medewerkers voor. Maar zolang ze zich niet schuldig zouden maken aan leugens en cover-ups, zoals destijds Alger Hiss, was er niets aan de hand.

Wijze raad, die hij vervolgens zelf op alle mogelijke manieren in de wind sloeg. Nadat de beruchte smoking gun tape in augustus 1974 openbaar werd gemaakt, waarin Nixon hardop nadenkt over het inzetten van de CIA om het FBI-onderzoek naar de inbraak stop te zetten, was het met hem gedaan. “Mijn president is een leugenaar”, schreef de conservatieve columnist James Kilpatrick - die Nixon door dik en dun had verdedigd - destijds. “Ik had liever gehad dat hij een schurk was”.

Clinton was, toen hij in 1992 Bush versloeg, in twee opzichten het spiegelbeeld van Nixon: als gematigd Democraat werd hij president in een conservatief tijdperk. En bij zijn aantreden wist hij zich gehaat door een aanzienlijk deel van de behoudende Amerikanen.

De kern van die haat is deze. Ten eerste had Clinton een eind gemaakt aan twaalf jaar Republikeins bewind. Hoewel George Bush niet op de sympathie van conservatieve Amerikanen kon rekenen - hij was op z'n best Reagan-light - was zijn aanwezigheid in het Witte Huis toch te prefereren boven die van een snotneus uit een achterlijke staat. Een snotneus bovendien die tijdens de oorlog met Vietnam de dienstplicht had ontdoken en zich dus in hun ogen tegen Amerika had gekeerd. Clinton was volgens hen een typische representant van de tegencultuur.

Daarnaast verweten ze hem dat hij een even sluw als gewetenloos politicus is, die zijn politieke agenda en principes op ingenieuze wijze weet te verbloemen of - indien de nood aan de man komt - bereid is deze volledig overboord te gooien. Achter het masker van de hartelijke, uit de kluiten gewassen en ietwat slungelachtige zoon van de 'staat met de grootste watermeloenen' - zoals Clinton Arkansas noemt - ging volgens hen een keiharde manipulator schuil.

Daarbij steekt het dat Clinton de afgelopen vijf jaar heeft aangetoond het politieke spel als geen ander te beheersen. Zo lichtten zijn strategen tijdens de presidentscampagne van 1996 de pers in over de rede die tegenstander Dole die avond zou gaan geven, en kon de weerlegging alvast mee in het avondnieuws van de grote zenders. Dole stond dan letterlijk voor niets te praten. En tijdens de senaatsverhoren van afgelopen zomer over de financiering van zijn presidentscampagne had Clinton een legertje advocaten en medewerkers in het Witte Huis verzameld plus spindoctors voor de zaal gezet, die elk flintertje nieuws meteen ontkrachtten door erop te wijzen dat het al in de krant had gestaan en dus 'oud' was.

Ten slotte had het Witte Huis in de week voor de verhoren begonnen selectief gelekt over eigen misstanden. De verhoren, wilde de president maar zeggen, waren overbodig en volstrekt oninteressant. Clinton toonde zich hier de perfecte leerling van Nixon: alles is public relations.

Clinton, schreef de New York Times afgelopen zomer in een commentaar, heeft de eigenschappen die eerder in het domein van fictie dan in de werkelijkheid thuishoren. De details die de afgelopen dagen bekend zijn geworden over zijn verhouding met de toen 21-jarige stagiaire Monica Lewinsky doen inderdaad denken aan een roman: Sabbath's Theater van Philip Roth. Mickey Sabbath, poppenspeler, pornograaf en leraar, wordt van school verwijderd nadat de op een band opgenomen telefoonseks tussen hem en een leerlinge openbaar wordt gemaakt. Roth laat Sabbath zeggen dat Amerika zijn puriteinse imago eindelijk van zich heeft afgeschud: op het gebied van seks kan het land zich met de beste meten. Wat heet: zelfs Frankrijk wordt op terrein waar het zich onverslaanbaar achtte, naar de kroon gestoken. Sabbath hoeft zich niet te schamen voor het gedrag van de huidige president, zo veel zal duidelijk zijn. Onder Clinton heeft Amerika zich in seksueel opzicht definitief als grootmacht doen gelden.

Op een ander niveau bevestigen de vermeende seksspelletjes van Clinton en Lewinsky twee dingen. Net als Nixon belandde Clinton zwaar aangeslagen in het Witte Huis. Tijdens de campagne van 1992 overleefde hij ternauwernood beschuldigingen van dienstplichtontduiking en buitenechtelijke avonturen. Evenmin als Nixon is hij erin geslaagd deze geesten uit een verleden van zich af te schudden en een nieuwe start te maken. De oude Clinton heeft het als het ware definitief gewonnen van de nieuwe, als die laatste al heeft bestaan.

Ten tweede: waar Nixon aan zijn eigen paranoia ten onder ging, en de pers hem terecht het vuur na aan de schenen legde naar mate meer details van Watergate bekend werden, dreigt Clinton aan een combinatie van lust, achteloosheid en verveling plus het fanatisme van zijn vijanden te bezwijken. Voor de president is er een schrale troost: het bewijs voor het eerste punt van 'Clintons Wetten van de Politiek' is nu geleverd. Dat luidt: 'Zodra je je ergens begint te vermaken, wordt het tijd dat je je uit de voeten maakt'.

De Clinton-haters kunnen opgelucht ademhalen. Ze lijken 'hun man' toch nog te pakken te krijgen, die aalgladde grootmeester in het ontkennen, ontwijken en pareren genaamd Slick Willy.

Voor degenen die hem nog steeds een goed hart toedragen is het even slikken: net nu Clinton op het punt staat aan te geven wat hij zoal de komende drie jaar tot stand wilde brengen, net nu hij zijn erfenis en een plaats in de geschiedenisboeken veilig wil stellen, is hij definitief onderdeel geworden van de Amerikaanse folklore. Misschien begint hij vanavond zijn State of the Union-adres met het citaat uit de Bijbel waarin volgens hem staat geschreven dat orale seks met een ander dan je echtgenote geen overspel is.

In de Amerikaanse pers werd na de publicatie van de New Nixon Tapes gesuggereerd dat voortaan alle gesprekken van presidenten zouden moeten worden opgenomen, om ze na verloop van tijd openbaar te maken. Was hiermee al in 1992 begonnen dan zouden de Clinton Tapes voor een volgende generatie het definitieve bewijs hebben geleverd van de stelling die Philip Roth begin jaren zestig poneerde: In Amerika is de werkelijkheid vreemder dan fictie, en dus dienen schrijvers daar hun inspiratie te zoeken. Mickey Sabbath leeft! Hij en zijn alter ego Clinton zijn Amerikaanse helden van de jaren negentig.