Amerika is helemaal niet bang voor seks

President Clinton is niet het slachtoffer van een nieuwe golf van preutsheid. Integendeel. Zijn problemen worden veroorzaakt door argwanende media, het problematiseren van seks en het criminaliseren van de politiek door onafhankelijke aanklagers.

WASHINGTON, 27 JAN. John F. Kennedy had talloze maîtresses en het bracht hem tijdens zijn leven niet in opspraak. Ook Lyndon B. Johnson kon betrekkelijk ongestoord zijn gang gaan; toen hij nog meerderheidsleider in de Senaat was had hij in zijn kantoor zelfs een apart kamertje voor zijn amoureuze ontmoetingen. Maar Bill Clinton is door berichten over een buitenechtelijke verhouding met een jonge vrouw de afgelopen week in de ernstigste politieke crisis van zijn presidentschap gestort.

Het lijkt een teken dat de seksuele moraal in Amerika de afgelopen decennia strenger is geworden. Maar de Amerikaanse televisie, die spiegel van de volksziel, laat zien dat het zo eenvoudig niet ligt.

De onkreukbare Ted Koppel, presentator van het late nieuwsprogramma Nightline, vertrok donderdagavond geen spier. Zakelijk als altijd informeerde hij de kijkers dat het schandaal waar president Clinton in is verwikkeld, uiteindelijk draait om de vraag of orale seks volgens de president geldt als overspel. Op een van de onbijtshows werd de volgende ochtend ernstig besproken of DNA-onderzoek kan aantonen of de vlekken op een jurk van Monica Lewinsky, die door de FBI in beslag is genomen, herleid kunnen worden tot het zaad van de president. Aan de ontbijttafel nam Amerika nog een hapje Cornflakes.

Puritanisme is nog altijd een belangrijke trek in de Amerikaanse cultuur. Maar het is niet de overheersende collectieve geestesgesteldheid waar het vaak voor wordt gehouden. Amerika is helemaal niet bang voor seks. De populairste televisieseries hangen aan elkaar van de seksuele toespelingen. Talkshows trekken een miljoenenpubliek met gespreksthema's als 'Hij ging naar bed met alle drie mijn vrouwen'. John F. Kennedy geldt nog altijd als een grote Amerikaanse held, en ook Franklin Delano Roosevelt en Martin Luther King jr. zijn niet van hun voetstuk gevallen toen bekend werd dat ze het met de huwelijkse trouw niet zo nauw namen. En Bill Clinton is twee keer tot president gekozen door een electoraat dat op zijn minst vermoedde dat hij een schuinsmarcheerder was.

De problemen van Clinton zijn niet te herleiden tot een dolgedraaide cultuur van preutse zedenmeesters, die het land nu in zijn ban zou hebben. Wat het wel laat zien is hoe ingrijpend de Amerikaanse samenleving de afgelopen decennia veranderd is op het gebied van de media, seks en de alledaagse politieke strijd.

Een belangrijke reden dat de affaires van Kennedy tijdens zijn leven stil gehouden konden worden, was dat de pers zich nog niet beschouwde als tegenspeler en controleur van de man in het Witte Huis. Er bestond een vanzelfsprekend respect voor de president, waar Kennedy met grote bedrevenheid op inspeelde. De pers was niet wars van belangstelling voor zijn privéleven, zoals bleek uit de algemene fascinatie met het jonge gezin dat het Witte Huis bewoonde. Maar de drang om de werkelijkheid achter het mooie plaatje te onderzoeken, was nog niet zo ontwikkeld.

Het Watergate-schandaal veranderde dat ingrijpend. Na de onthullingen over de misdadige praktijken van de regering-Nixon maakte een algemeen wantrouwen jegens de autoriteiten zich van de pers meester. Presidenten hoefden niet meer op een stilzwijgende geestverwantschap met de media te rekenen, of op het voordeel van de twijfel.

Aanvankelijk beperkte het jachtterrein van journalistieke speurneuzen zich nog tot staatszaken, maar steeds meer werd ook het privéleven van politici onder de loep genomen. Politici zélf gebruikten hun persoonlijke leven en hun karakter als pluspunt in hun verkiezingscampagnes. En dat gaf de media een rechtvaardiging om niet alleen politieke programmapunten, maar ook die persoonlijke aspecten tegen het licht te houden. Was de leus in de jaren zestig dat het persoonlijke politiek was, dat persoonlijke relaties in politieke termen gezien moesten worden, in de jaren tachtig en negentig werd de politiek steeds persoonlijker.

Ondertussen is ook de manier waarop in de Amerikaanse samenleving over seksualiteit wordt gedacht sterk veranderd. Seks wordt, zoals de jaren zestig en zeventig hadden geleerd, in toenemende mate gezien in termen van macht en misbruik van macht. Dat heeft niet alleen maatregelen opgeleverd tegen ongewenste intimiteiten en seksuele intimidatie, maar ook een algemene grondhouding van argwaan. Een verhouding tussen twee mensen die verschillende hoeveelheden macht hebben is al bij voorbaat verdacht, alsof, schrijft The New Yorker deze week, het om seks van een volwassene met een kind gaat.

Dat de regels van het spel zijn veranderd kan men toejuichen of betreuren. Maar het is de werkelijkheid van deze tijd. En zeker een president kan zich daar niet ongestraft tegen verzetten.

De storm die over Clinton is losgebroken, richt zich niet alleen op de beschuldiging dat hij een affaire zou hebben gehad met een 21-jarige stagiaire. Hij zou haar ook hebben aangespoord om onder ede over de verhouding te liegen. In de opwinding die de aantijgingen hebben veroorzaakt, zijn die twee elementen niet altijd goed uit elkaaar te houden. De seks geeft het schandaal de amusementswaarde die de media in de Whitewater-affaire zo node misten. En het vermoeden van meineed, of van het aanzetten daartoe, geeft het schandaal zijn juridische lading.

Zonder zo'n juridische lading is er in Washington geen politieke strijd of schandaal meer denkbaar. Dat is een verandering die Clinton nog meer opbreekt dan de toegenomen agressie en speurzin van de pers of de veranderde visie op seksualiteit. Politici bestrijden elkaar nog wel met politieke argumenten, maar ook met alle juridische wapens die ze kunnen vinden. In het Congres slaan Republikeinen en Democraten elkaar om de oren met klachten bij de ethische commissie, dikwijls over minieme overtredingen van de gedragsregels. Tegen de president en andere hoge regeringsfunctionarissen worden onafhankelijke aanklagers in stelling gebracht.

Het instituut van de onafhankelijke aanklager, dat stamt uit de tijd van Watergate, heeft een ware criminalisering van de politieke strijd veroorzaakt. Onder president Nixon was gebleken dat een minister van Justitie in een lastig parket komt als hij een strafrechtelijk onderzoek moet instellen tegen de president die hem benoemd heeft en die hem ook weer kan ontslaan. Een onafhankelijke aanklager, die niet valt onder het ministerie, leek daarom een uitkomst. In gevallen waarin een strafrechtelijk onderzoek nodig was naar de president of leden van zijn kabinet, zou door de benoeming van zo'n onafhankelijke figuur een belangenconflict voorkomen worden.

Maar ondanks hun onafhankelijkheid zijn de onafhankelijke aanklagers machtige factoren in de politiek geworden. Hoe kan het ook anders als ze, soms jaren achtereen, de machtigste politici achtervolgen. Independent Counsels zijn benoemd van het Iran-Contras-schandaal tot Whitewater en kleinere corruptieschandalen van ministers. Zolang Republikeinse regeringen het voorwerp van dergelijk speurwerk waren, kwam de kritiek op de openbare aanklagers vooral van de Republikeinen. Maar de laatste jaren raakten ook veel Democraten ervan overtuigd dat van een wildgroei van strafrechtelijk onderzoek sprake is.

Kenneth Starr voert al drieëneenhalf jaar een intensief onderzoek aan naar president Clinton. Aanvankelijk richtte hij zich alleen op Whitewater, de onroerendgoedtransactie in Arkansas in de jaren tachtig. Maar allengs breidde hij zijn werkterrein uit. En nu laat hij de jurk van een mogelijke vriendin van Clinton op spermavlekken onderzoeken en is hij op zoek naar getuigen die de president en de stagiaire in een compromitterende positie hebben betrapt.

Onafhankelijke aanklagers, zeggen critici, beschouwen hun werk als mislukt als het geen veroordeling oplevert. En dus sparen ze kosten noch moeite om ongerechtigheden boven water te halen. Ze worden benoemd om een bepaalde persoon te onderzoeken, en gaan vervolgens op zoek naar een misdaad. Precies de omgekeerde weg die een gewone aanklager aflegt.

President Clinton is de afgelopen vijf jaar in Washington onderworpen aan een vrijwel permanent onderzoek. Misschien levert dat nu inderdaad bewijzen op dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het tegenwerken van de rechtsgang, meineed, het aanzetten tot meineed of andere ernstige misdrijven. Maar nog voor dit schandaal voorbij is, begint Amerika zich al af te vragen of het land er wel bij gebaat is dat het lot van politici zozeer in handen wordt gelegd van onafhankelijke aanklagers.