Allemaal even mooi

Op het 'Eiland van de Jeugd' onder de Cubaanse zuidkust zou ooit gerealiseerd worden wat Che Guevara voor ogen stond: een samenleving gedreven door hartstocht en idealisme, niet door geld. Tegenwoordig wordt dit koraaleiland aangeprezen als vakantieoord. Toeristen die tussen de riffen willen duiken, betalen in dollars.

Maar indertijd lag het niet voor de hand de modelgemeenschap in spe als buitenlander te bezoeken. Ik was dan ook tijdens de overtocht een min of meer verdwaalde vreemdeling onder Cubaanse jongeren die hun steentje aan de nieuwe maatschappij gingen bijdragen.

Ik had een plekje aan dek gevonden. De kustlijn was verdwenen en een blauwe zee strekte zich rondom uit. Een tevreden slaperigheid kwam over me. Na enige tijd werd ik wakker omdat een jongen voor me stond. Hij leek mijn ontwaken met ongeduld te hebben afgewacht want hij begon - als wist hij wie ik was - meteen tegen me te praten. En toen ik niet begreep waar hij het over had, lachte hij en gaf te verstaan dat ik het verder aan hem kon overlaten en dat het dan allemaal dik voor elkaar zou komen. Ter bevestiging bracht hij de toppen van zijn vingers bij zijn lippen samen en wierp me een smakkend kusje toe.

Hij verdween. Even later was hij al op de terugweg en dreef triomfantelijk vier meisjes voor zich uit. Ze kwamen rondom mij staan en bekeken me als een drenkeling, die aan hun voeten was aangespoeld. Eén raakte me voorzichtig aan. Een ander voelde aan mijn haar. Na enige verlegenheid en vertwijfelde blikken naar de organisator van dit treffen, probeerden ze een conversatie op gang te brengen. Die poging strandde want de jongen kwam ter zake: welke van de meisjes beviel mij het meest?

Ik voelde me in verlegenheid gebracht. Wellicht had ik het niet goed begrepen. Ik sneed een ander onderwerp aan. Maar de vraag werd herhaald. Ik keek de kring rond. Iedereen was vol verwachting.

“Allemaal even mooi”, zei ik luchtig en hoopte verder van het Parisoordeel verschoond te blijven. Mijn antwoord voldeed niet. De jongen wilde zijn selectie aan de man brengen. Naar mij knipogend, geil grijnzend, zijn vingers aflikkend, schoof hij de meisjes één voor één naar voren: het eerste met lichtblauwe ogen en opgestoken, donker haar leek de meest ambitieuze kandidate; een uit de kluiten gewassen negerin volgde in de competitie; een dik meisje met sproeten lachte me stralend toe en de laatste rivale die zich, net als ik, geen raad wist met de situatie trachtte zich achter haar arm te verschuilen. Het spelletje beviel me niet. Ik wilde niet kwetsen, niet discrimineren, niet kiezen. Dik, dun, blank, zwart, allemaal even mooi en daarmee basta.

Een ander onderwerp van gesprek vlotte niet.

“Tiburones!” werd er geroepen. Iedereen spoedde zich naar de reling om de haaien te zien. Ik tuurde naar de rugvinnen, die door de golven sneden. Het meisje met lichtblauwe ogen kwam naast me staan. Als ik niet koos, dreigde ze, zou zij het doen. Zo makkelijk zou ik niet van haar af komen. Ik poogde me achter mijn buitenlander-zijn te verbergen. “No entiendo, no entiendo”, bauwde ze me met Amerikaans accent na. Ze praatte tegen me op een echtelijke ruzietoon.

Om ons heen vormde zich een kring van nieuwsgierigen. De oorspronkelijke aanstichter, de souteneur, liet zich niet onbetuigd bij het entameren van de show en het trekken van publiek. Ik stond nog steeds aan de reling. Ik kon de zeebodem zien. Ik hoopte op een wonder. Bootslui mengden zich onder de omstanders. Ze ergerden zich aan mijn gebrek aan temperament. “Ah, sangre, sangre!”, riep een van hen belust op sensatie.

“Leg het zelf met haar aan”, mopperde ik. De man maakte een sprongetje bij het opwindende idee. Zijn maat, die twee woorden Engels sprak, meende een einde aan het misverstand te kunnen maken. “Fucki, fucki”, siste hij me toe met een gebaar dat, mocht ik hem niet verstaan, niets aan duidelijkheid te wensen overliet.

Mijn 'vriendin' smoesde onderwijl met de andere zeelui. Ze betrok hen in het complot, terwijl ik als willoos slachtoffer afwachtte tot ze bij mij terugkeerde en me met een veelbetekenende blik op de mannen, die met gekruiste armen toekeken, te kennen gaf dat ik kon kiezen of delen: als ik haar niet welgevallig was, zou ik wel merken wat me te wachten stond.

“Dit is ridicuul”, redeneerde ik met mezelf. Ik kreeg het benauwd onder de afwachtende houding en de nieuwsgierigheid waarmee iedereen toekeek. De arena was gesloten. Was er niemand die dit ritueel kon doorbreken?

De zon stond laag achter het eiland en maakte onze bestemming tot een donker silhouet van bergen en fijn uitgesneden palmen. We voeren een baai in. Land omringde ons. Gekleurde houten huizen stonden op de oever. De bootslui waren ineens druk bezig met het afmeren van het schip. Passagiers maakten zich voor aankomst gereed. Ik pakte mijn rugzak. Wat nu? Ik keek besluiteloos om mij heen. Een strenge organisatie regelde het van boord gaan. De meisjes moesten zich bij hun groep voegen. Een vrouw gaf hun kortaf instructies. Ik viel overal buiten. Iedereen leek me vergeten. Ik stond alleen. Ik bewoog me naar de scheepstrap. Ik daalde eenzaam af langs de wand van het schip. Halverwege zag ik dat beneden op de kade een dubbele rij meisjes stond aangetreden. Ze droegen een wit uniform met rode baret. Hun blik was op mij gericht. Wat verwachtten ze? Ik aarzelde. Ik kon niet anders dan verder afdalen. Er was geen weg terug. Geen ontkomen aan. Ze applaudisseerden. Ik liep tussen de erehagen door. Ik glimlachte zonder overtuiging.

De corridor voerde naar een jeep. De chauffeur hield het portier open. Ik keek hem verdwaasd aan. Hij gaf me een teken in te stappen. Ik gehoorzaamde. Mijn houding wekte achterdocht. De chauffeur noemde een Engels klinkende naam en keek me vragend aan. Ik schudde mijn hoofd. “De Canadese zanger!”, zei hij met nadruk. Ik schudde nogmaals mijn hoofd en stapte aan de andere kant uit de jeep.

Ik begon te lopen, na enige tijd te hollen en toen te rennen. Het eiland op, het 'Eiland van de Jeugd'.