Pijn en principes

Mijn eerste dikke roman ben ik gaan lezen toen ik, rond mijn veertiende, merkte dat ik in mijn leven niet méér zou wegen dan veertig tot vijftig kilo. Ik zou niet langer worden dan één meter vijfenzestig. Ik zou niet sterk zijn. Nooit een vuistgevecht winnen.

Mijn laatste vechtpartij was inderdaad kort daarvoor geweest. Om een bal die door mijn toedoen in de sloot terecht kwam kreeg ik van een jongen uit de straat een pak slaag. Het was ongenadiger dan nodig, maar dat kwam door mijn gevechtstechniek. Die had ik van Mahatma Gandhi: verdraag de pijn, blijf je vijand aankijken, toon geen vrees en deins niet terug; dwing zijn menselijkheid af. Ahimsa heet dat, maar de jongen werd er zo zenuwachtig van dat hij steeds harder en ruwer sloeg, tot ik mijn techniek opgaf en de benen nam.

Het inzicht was dus snel verkregen: ik zou niet kunnen worden als de jongens uit mijn straat. Ik was veroordeeld tot het lezen en gebruiken van woorden, omdat ik voor daden ten enenmale ongeschikt was.

Later besefte ik dat je ook met woorden kracht kon uitoefenen. Ik verwierf iets wat leek op ontzag, omdat ik discussies kon winnen door betere argumenten te verzinnen. En nog veel later ontdekte ik dat je er zelfs je broodwinning van kon maken, van het uiten van meningen en kritieken in krantenstukjes, maar dat was pas in Nederland. In Suriname sterf je een hongerdood als je op die manier aan de kost probeert te komen.

Hiermee is ook een eenvoudige omschrijving gegeven van de term waar de afgelopen weken extra aandacht voor is geweest. Honderd jaar geleden verscheen Emile Zola's J'Accuse, waarmee 'de intellectueel' was ontstaan, en nog altijd weten we niet wat dat precies inhoudt. Volgens Susan Sontag (NRC Handelsblad, 13 januari) is een intellectueel een lastpost met een groot gevoel voor verantwoordelijkheid en een overtuiging waar die voor durft op te komen. Integriteit is daarbij belangrijk, net als een zekere mate van 'ontworteldheid'.

Een vergelijkbaar standpunt komen we tegen bij de Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink (NRC Handelsblad, 17 januari), die het beeld schetst van zijn ideale intellectueel, Albert Camus. Camus wist in zijn verhalen kleine kwesties te verbinden met grote morele vraagstukken. Hij was principieel, hij had geen verborgen agenda's, deed geen concessies aan de populariteit en bleef onafhankelijk.

Het probleem met Sontag en Brink is dat zij geen beschrijving geven van de intellectueel, maar van de goede intellectueel. De toch al weinig bescheiden aanduiding wordt hierdoor pompeus, alsof het gaat om een uitzonderlijke prestatie, een uitmuntende verworvenheid. Als mens is de intellectueel verheven boven de middelmaat, zoals ook het geval is bij een 'ster', een 'kampioen' of een 'heilige'. Niemand zal zichzelf ooit nog een intellectueel durven noemen, omdat het geen vak meer is, maar een status, die je eigenlijk alleen postuum kunt bereiken. Bovendien zijn de verwachtingen zo hoog gespannen, dat ze wel beschaamd móeten worden, zoals gebeurde tijdens de Koude Oorlog, toen vele 'intellectuelen' zich aan de kant van de communisten schaarden.

Beter zou het zijn om de term van zijn voetstuk te halen door te zeggen dat iedereen die een kritische mening uit, en dat effectiever doet dan vanaf een zeepkistje, de functie heeft van een intellectueel. Hij heeft de vaardigheid om te kunnen schrijven over dingen waar hij niet alles over weet, of zoals Susan Sontag het zegt: een specialist kan een intellectueel zijn, maar een intellectueel is nooit alleen een specialist. Hij heeft misschien niet alle feiten, maar wel de juiste principes.

Maar dan ineens, verderop in haar artikel, gaat Sontags vinger omhoog: “Ongeacht waar je sympathie naar uitgaat, je hebt niet het recht op een openbare mening zolang je er niet zelf geweest bent, en niet uit de eerste hand, ter plaatse en gedurende ruime tijd het land, de oorlog, het onrecht of wat dan ook waarover je spreekt, ondervonden hebt.”

Ik begrijp wel waarom ze dit schrijft: ze heeft het over de fellow travelers tijdens de Koude Oorlog en de al te gemakkelijke meningen over de etnische strijd in voormalig Joegoslavië. Maar ze ziet de moderne intellectueel kennelijk niet als iemand die van achter zijn bureau de wereld via kranten en televisie volgt, daarover nadenkt en commentaar levert - nee, hij moet er geweest zijn. Hij moet met Kroaten hebben gepraat en met Serviërs hebben gedronken, waarna hij weet waar hij het over heeft.

Dat mag je hopen, zou ik zeggen. Bovendien vind ik onze correspondenten en televisie-journalisten helemaal niet zo onbetrouwbaar. En verder wil ik nooit terecht komen in het dilemma van veel cameramensen die een wrede gebeurtenis blijven filmen en zelf niet ingrijpen. Als je als fatsoenlijk mens in een oorlogssituatie terecht komt, is de kans erg klein dat je je zult kunnen beperken tot de koele observatie.

Maar het allerbelangrijkste is dat de door Sontag voorgestelde werkwijze een heel andere gesteldheid veronderstelt. André Brink geeft daar een mooi voorbeeld van, als hij beschrijft hoe de intellectuelen van Zuid-Afrika de apartheid bestreden, maar na de overwinning van het ANC met teleurstellingen achterbleven. Zo was er een keer dat hij in een smalle straat met eenrichtingverkeer reed en werd geconfronteerd met een auto die vanuit de verkeerde richting kwam. Daarin zaten vijf uit de kluiten gewassen schreeuwlelijken die riepen dat ze parlementsleden waren en daarom voorrang hadden.

Wat moest hij doen? Een beetje integere, onafhankelijke en verantwoordelijke intellectueel die geen concessies doet en voor zijn overtuiging opkomt zou op zijn principes blijven staan. Naar alle waarschijnlijkheid zou hij dan uit de auto zijn gesleurd door de vijf schreeuwlelijken en een ongenadig pak slaag hebben gekregen. En hij zou dan precies weten waarover hij het had als hij daarna kritiek leverde op het nieuwe Zuid-Afrika, maar de vraag is of hij daarvoor deze mate van proefondervindelijkheid nodig heeft.

André Brink kon de ervaring navertellen, waaruit volgens mij blijkt dat hij verstandig is geweest: auto in z'n achteruit, voorrang aan de schreeuwlelijken. Want principes zijn goed, maar het vermijden van pijn is beter.