Naar taalles bij Haagse Harry

Haags, daah wogt je mei gebore! Als er één figuur al vanaf zijn wieg plat Haags praat, dan is dat Haagse Harry wel. Marnix Rueb, de geestelijk vader van de plaatselijke stripheld, groeide zelf op in het statige Benoordenhout. Daar waar ze bekakt Haags spreken van voor uit de mond. Maar Rueb verhuisde op latere leeftijd naar de Schilderswijk. Daar spreken ze volgens hem min of meer hetzelfde taaltje, maar dan gesproken 'van achtâh uìt de huìg'.

De Schilderswijk is ook het domein van de Haagse Harry's en de Anita's. Jongens met groen-gele sjaaltjes van ADO die op hun scootertjes rondrijden. Hun matjes wapperen in de wind. De meisjes zitten achterop. “Ik hoorde die mensen zo vaak 'kankâh' roepen, dat ik dacht: daar moet ik wat mee doen”, zegt Rueb in het kantoor van zijn uitgeverij Kap Nâh!! bv.

De creatie van Rueb die aanvankelijk begon als een soort grap, is in Den Haag inmiddels mateloos populair. Zowel de mensen uit het Benoordenhout als de Schilderwijkers hebben het mannetje met lange zwarte manen in de nek, dat vloekend door het leven gaat, in de armen gesloten. De Haagse ooievaar is van de gemeente, Harry is van de mensen.

Kees van Kooten en Wim de Bie populariseerden het Haags met de vrije jongens Jacobse en Van Es. Cabaretier Harry Jekkers is de zanger van het plaatselijke volkslied 'O, o, Den Haag'.

Rueb heeft niet alleen Harry gecreëerd, hij heeft ook het Haags op papier vastgelegd. “Ach, ik ben absoluut geen taalkundige”, zegt hij. “Ik heb een beetje zitten puzzelen en heb uiteindelijk mijn eigen fonetica ontwikkeld. Maar het is niet simpel om consequent te blijven.”

Zo heeft hij onderzocht of er in andere talen een zelfde soort klank bestaat als de Haagse 'ui'. “Die vind je dus nergens”, zegt Rueb. “Dus heb ik er maar 'uì' van gemaakt.” De Haagse 'r' is een 'g', 'au' is 'âh' en 'ij' is 'è'.

Hoe het Haags precies is ontstaan, weet Rueb niet. Wel heeft hij een verklaring voor het nogal grove taalgebruik. “Het Haags klinkt misschien agressief, maar in wezen is dat het niet. Het is vooral beeldend. Er komen inderdaad veel ziektes in voor zoals kanker, cholera en tering. Maar het is vaak grootspraak om de ander op afstand te houden. Ze praten vaker over wat ze gaan doen dan dat het daadwerkelijk op vechten uitloopt”, zegt Rueb. Een Haagse antenne bijvoorbeeld is een antenne op een auto zonder een autoradio.

Hoewel Haagse Harry volgens Rueb niet gebaseerd is op een bestaande persoon, zijn er wel vele Hagenaars die op hem lijken. “De mensen identificeren zich met hem. Hij heeft de echte Haagse mentaliteit. Hij kankert op de stad, maar hij is er wel trots op.”

De Haagse burgemeester Deetman doet weliswaar zijn best om tijdens openbare bijeenkomsten zoveel mogelijk Haags te praten, maar voor Haagse Harry blijft hij een 'zakkevollâh' die in het èspelès (het ijpaleis, het stadhuis) woont. Deetman kankert natuurlijk ook te weinig over de stad.

Met op de komende gemeenteraadsverkiezingen in aantocht zag de gemeente er wel wat in om Harry te gebruiken om boodschappen aan het volk over te brengen. Ze wilden Harry op posters laten zetten, vertelt Rueb. “Nee, daar begint Harry niet aan. Hij is de vijand van de gemeente. Dan kan hij niet voor ze gaan werken.” Rueb voelt eventueel wel wat voor een standbeeld van Haagse Harry. Dat zou dan tegenover Het Binnenhof moeten staan, naast Haagse Jantje. Maar waar Jantje vriendelijk zwaait, ziet Rueb zijn Harry daar het liefst staan met zijn middelvinger omhoog.

Het plat-Haags wint intussen sterk aan populariteit in de stad. Begin januari werd in de Haagse Nieuwe Kerk aan het Spui al een Haags dictee gehouden en Rueb denkt er nu over om de taal van Harry in een groen-geel boekje te laten vastleggen.

Een Haags leesplankje is er al: kankûh aap, kankûh noot, kankûh mies.