JOEL BONS OVER Het Tokkelfestival

Tokkelfestival: 3/2 Paradiso: Midden-Oosten - tar, ud en kanun;4/2 Soeterijn: Turkije - tanbur en saz; 5/2 Concertgebouw: China en Japan - pipa en biwa; 6/3 Soeterijn: Palestina en India - ud en sarod; 7/3 Concertgebouw: Andalusië - guiterne en gitaar (uitverkocht, bij voldoende belangstelling herhaling om 23u); 8/3 Concertgebouw (11u): kinderconcert; Tropeninstituut (14.30 uur): slotconcert met Lincoln Almada (Paraguayaanse harp), Lamin Kuyateh (kora), Chen Leiji (guqin), Tran Quang Hai (dàn trahn), Hamid Albasri (kanun), het Nieuw Ensemble, het Mandoline Kwintet en de Gipsy Boys.

AMSTERDAM, 26 JAN. “Ik heb altijd gedacht dat mijn liefde voor de gitaar aan de Beatles was te danken. Tot ik onlangs een catalogus zag van een luiten-tentoonstelling in Stuttgart waarin de naam Jean Bosco valt. Van die Congolese troubadour hadden mijn ouders namelijk platen in huis waar ik als kind al dol op was.”

Joël Bons (1952) studeerde gitaar en compositie aan het Conservatorium in Amsterdam. In '81 richtte hij met klarinettist Arjan Kappers en mandolinespeler Hans Wesseling het Nieuw Ensemble op. Als artistiek leider daarvan maakte Bons vele reizen. In '91 introduceerde het Nieuw Ensemble een jonge generatie Chinese componisten in Nederland. In april '97 werd tijdens een tournee door China een aantal stukken 'terug geëxporteerd', waaronder Vacuité/Consistence van Xu Shuya, dat ook zal worden uitgevoerd op het komende Tokkelfestival in Amsterdam.

“Wat mij interesseert is het samenbrengen van schijnbaar onverenigbare zaken. We hebben met die Chinese musici geëxperimenteerd met het integreren van westerse en niet-westerse instrumenten. Dat werkte wonderwel en leverde een mooie mengklank op. Ik heb het idee dat er veel meer toekomst zit in dit soort interculturele ontmoetingen dan in het compositorisch nog verder uitmelken van het centralistische Darmstadt-achtige gedachtengoed.

“Samenwerken met musici uit andere culturen is heel inspirerend. Het opent je geest en relativeert je waarden en normen; hoe beleven zij muzikale tijd en vorm, hoe stemmen zij hun instrumenten, hoe zitten zij op het podium ? Dat niet-westerse musici zich door ons laten inspireren vindt iedereen gewoon maar omgekeerd gebeurt het veel minder, al denken veel westerlingen dat ze erg open zijn.

“Als je je actieradius wilt vergroten moet je met mensen samenwerken. In Huib Haringhuizen van het Tropeninstituut vond ik een makker waar ik iets aan had. Omdat hij alles weet van de traditionele wereldmuziek en ik heel veel levende componisten ken, bestrijken we samen een breed terrein. Dat komt tot uiting in het hele programma waarin stokoude en spiksplinternieuwe muziek wordt gecombineerd.

“Het vinden van de juiste componisten was niet makkelijk. Een componist uit Azerbajdzjan is niet per definitie geïnteresseerd in de traditionele muziek uit zijn land. Daar komt nog bij dat elk instrument specifieke mogelijkheden en beperkingen heeft. De Japanse satsuma-biwa bijvoorbeeld, die wordt bespeeld met een enorm driehoekig plectrum, lijkt eerder een slag- dan een tokkelinstrument.

“De mensen die we uiteindelijk kozen hebben in elk geval twee dingen gemeen: een open geest en de nodige gretigheid. De Spaanse componist Amargós zei onmiddellijk 'ja' toen hij flamenco-gitarist Peter Kalb alias 'El Periquín' had gehoord. De Marokkaans-Franse guiterne-speler Henri Agnel is al even breed geörienteerd, hij speelt zowel onze middeleeuwse muziek als Arabo-Andalusische suites. De jonge Nederlandse componist en tokkelgek Gijsbrecht Royé heeft zich waanzinnig verdiept en schreef een stuk voor een unieke bezetting: pipa, biwa, ud, zheng, mandoline, gitaar, harp en ensemble. Het is toch wonderlijk dat mensen over de hele wereld al eeuwen op allerlei instrumenten zitten te tokkelen. Met al dat prachtige hout op een rij is het alleen al voor het oog een feest.”