Het leven van Nederlanders

Portretten van Nederlandse burgers tegen de achtergrond van hun privé-leven zijn tegenwoordig nogal in trek op de televisie. Van Kooten en De Bie hadden er gisteravond zelfs al een parodie aan gewijd onder de titel 'Holland op z'n malst'. Hoe geslaagd die ook was, ik denk niet dat het een doodklap zal zijn voor het genre. Daarvoor biedt dit type programma nog te veel mogelijkheden, zoals we het afgelopen weekend zagen.

Michiel van Erp zette bij de VARA Lang leve Nederland voort, zijn 7-delige serie 'stadsgezichten'. Hoewel hij ook daarin bewijst een van de talentvollere documentaristen van dit moment te zijn, is de serie nog niet helemaal geworden wat ik ervan verwacht had.

De serie begint een voorspelbaar soort ironie te krijgen. Een groepje middelbare vrouwen in Enschede, die vormingswerk doen met allochtone vrouwen, als provinciale tuttebellen afbeelden die bête dansjes met elkaar maken - het is net even te gemakkelijk. Er zit een nogal verneukeratief element in Van Erps benadering die op zulke momenten de overhand krijgt. Het belachelijk maken wordt een doel in zichzelf, het is er niet meer op gericht de kern van iemands leven te raken.

Maar er zijn ook in deze serie nog altijd momenten waarop Van Erp wel de goede toon treft. De Haagse lunchroomeigenaar uit de eerste aflevering was onvergetelijk. In het harnas van zijn uitgelaten klantvriendelijkheid zagen we hem de hele dag een bovenmenselijke prestatie leveren, totdat hij 's avonds toegaf dat hij 'het acteren' meer dan beu was en geen bekende meer kon zien.

Fraai was ook de afscheidnemende Haarlemse toneelcriticus die bekende 'vijftig jaar naar zijn afscheidsfeest te hebben toegeleefd'. Hij werd in de handen van Van Erp even de volmaakte personificatie van de menselijke ijdelheid, die nooit genoeg kan krijgen van dergelijke openbare huldeblijken. Hoe zou Van Erp de golfclub 'De Eindhovensche Golf' hebben geportretteerd? Ik vermoed met een licht ironisch ondersteunend muziekje en nogal wat tongue in cheek-vragen. Jan en Gerard Louter besloten niet voor die verleiding te bezwijken toen ze voor de VPRO een portret maakten van deze club. Ze stelden zich terughoudend op en lieten de leden hun verhaal doen. Het resultaat was er des te onthullender door.

De golfsport mag dan enigszins gedemocratiseerd raken, bij 'De Eindhovensche Golf' zijn ze nog niet zover. De Louters schetsten het beeld van een volstrekt in zichzelf opgaande elite die de buitenwereld op zo groot mogelijke afstand hield. “Een gekleurd lid bij de Eindhovensche...”, peinsde een lid, “het eerste wat ik zie gebeuren is een gekleurde caddy.” Een mevrouw had tijdens de kennismakingsronde als nieuw lid abusievelijk de caddy's het eerst een hand gegeven. Ze dacht er met geschrokken geamuseerdheid aan terug, maar het was daarna gelukkig toch nog allemaal goed gekomen.

Het hogere kader van Philips bleek de club nog altijd te domineren, en de boze buitenwereld was dan ook niet helemaal buiten te sluiten. De verhuizing van de Philips-top naar Amsterdam kwam ter sprake. Wie ging wel mee, wie niet? Het was een hoffelijk (“Er wordt je bij onze club hoffelijkheid bijgebracht als dat nodig is”, zei iemand in het begin bijna dreigend) aftasten van elkaars positie.

Waarom wilde Boonstra eigenlijk naar Amsterdam? Dat wist niemand, maar zelf dacht ik op een oneerbiedig moment: misschien wel omdat hij juist zo de pest heeft aan het bekrompen, zelfingenomen Philips-cultuurtje dat uit deze documentaire sprak.

Bij de VPRO sloot Bram van Splunteren zijn 4-delige serie Als ze maar gelukkig zijn over jongeren en hun opvoeders overtuigend af. De opvoeding is momenteel een favoriet thema bij de omroepen - en waarom ook niet. Dramatisch materiaal te over en we kunnen er allemaal over meepraten.

Er zat veel ouderlijke mismoedigheid in deze serie. Een vader die geen greep kreeg op zijn rebelse tienerdochter, een moeder die de transseksualiteit van haar dochter betreurde en - gisteren - ouders die machteloos toezagen hoe hun 15-jarig zoontje zijn veelbelovende jaren in hasjdampen liet opgaan. De moeder: “Verbieden helpt niet.” De vader: “Je moet blijven praten.” De zoon: “Als ik wil blowen, blow ik.”