De Werdegang van Winning Winnie

Deze week staat minister Sorgdrager voor haar zoveelste vuurproef, dit keer omdat ze zich tegenover de Tweede Kamer moet verantwoorden voor de muiterij van haar procureurs-generaal. Terugblik op een problematisch verlopend ministerschap.

DEN HAAG, 26 JAN. Januari 1995 heette ze nog 'het ideale gezicht van paars', 'de nieuwe partijleider van D66 als Wolffensperger het niet doet', en 'Winnie met de winning smile'. Drie jaar later wordt ze betiteld als 'de grootste risico-factor van paars' en 'de slechtste minister uit het kabinet'.

Wat ging er mis met mr. Winnifred Sorgdrager? Zaten mannelijke ex-collega's die Sorgdrager haar emancipatorisch succes als eerste vrouwelijke minister van Justitie misgunden haar dwars? - een suggestie van collega Jorritsma. Miste Sorgdrager de politieke statuur om als minister te slagen? - een interpretatie van haar ambtenaren? Of was ze, gelet op verhouding tussen haar taak en haar ervaring, gewoon de verkeerde vrouw op de verkeerde plek?

Vast staat dat Sorgdrager op 22 augustus 1994 aan een loodzware bestuurlijke klus begon, die haar voorganger Hirsch Ballin het politieke leven had gekost. Ze trof een departement aan dat nog niet was ingesteld op de politieke en publicitaire aandacht die criminaliteitsbestrijding in de jaren negentig had gekregen. Ambtelijke diensten lagen met elkaar overhoop, andere vormden in zichzelf gekeerde circuitjes. Ze droegen bij aan de drievoudige gezagscrisis die de enquêtecommissie-Van Traa later in het politie- en justitieapparaat zou aantreffen.

Om tot nog toe onopgehelderde redenen kozen D66-leider van Mierlo en kabinetsformateur Kok in 1994 echter niet voor een bestuurlijk zwaargewicht om de ingewikkelde klus te klaren. Met Sorgdrager kwam er iemand naar Justitie die slechts kon bogen op een paar jaar management-ervaring als procureur-generaal in Arnhem en Den Haag. Evenmin had de oud-studieadviseuse van de Technische Hogeschool Twente en latere officier van justitie internationale ervaring. Dat terwijl de buitenlandse bemoeienis met het Nederlandse migratie- en drugsbeleid in hoog tempo toenam door het steeds vrijere personen- en goederenverkeer in Europa.

Behalve de bestuurlijke was ook de politieke uitgangspositie van augustus 1994 voor Sorgdrager ronduit ongunstig. Het justitieel klimaat werd bepaald door law and order-achtige verlangens naar 'meer, langer en groter': meer politie op straat, langere celstraffen en grotere gevangenissen. Voor een sociaal-liberaal als Sorgdrager zou het een heel karwei worden tegen deze stroom in te roeien. Bij het vormgeven van én vasthouden aan haar politieke agenda van meer preventie in plaats van meer cellen en alternatieve in plaats van langere straffen, kon Sorgdrager slechts terugvallen op een kortstondige politieke ervaring. In de vroege jaren zeventig was ze korte tijd bestuurslid geweest van de VVD-afdeling Enschede. Voor D66 had Sorgdrager begin jaren negentig in een forum van de bestuurdersvereniging gezeten.

Sorgdragers politieke en bestuurlijke ongeletterdheid maakte dat op zichzelf onschuldige gebeurtenissen snel veranderden in incidenten. Legendarisch was haar optreden oktober 1995 in het zogeheten Van Randwijck-debat. Daarbij moest ze zich verantwoorden voor de “goudgerande oprotpremie” (Rosenmöller), van 2,5 miljoen gulden voor de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck. Onverhoeds vroeg ze daar de Tweede Kamer om een motie van vertrouwen, een staatsrechtelijk novum. Haar onhandig optreden aan het slot van zogeheten Securitel-debat (juni 1997) over niet-aangemelde nationale regelgeving in Brussel, toonde aan dat Sorgdrager in politiek opzicht een minder snelle leerling was dan bijvoorbeeld Wijers.

Ook in een ander opzicht ontkwam de minister van Justitie niet aan haar verleden. Bij de talloze incidenten die haar Haagse carrière tekenden, dook vaak een ex-collega uit het openbaar ministerie op: Van Randwijck bij zaak-Van Randwijck (oktober '95), hoofdofficier Blok die suggereerde dat Sorgdrager als Haags procureur-generaal weet had van ongeoorloofde politie-methoden (februari '96), en procureur-generaal Steenhuis die haar informatievoorziening aan de Tweede Kamer per kort geding met twee dagen wilde vertragen (januari '98). Wat in augustus 1994 nog een voordeel heette te zijn - een vakvrouw uit de praktijk aan het bewind - begon steeds meer te lijken op een wrekend verleden.

De incidenten ondermijnden Sorgdragers gezag en politieke slagkracht, hetgeen ze onvoldoende compenseerde met persoonlijk overwicht. De Tweede Kamer kreeg steeds meer de neiging haar voor elk wissewasje naar het Binnenhof te laten komen, zoals onlangs nog de PvdA-fractie deed over de aanpak van de beursfraude. Eerder al klaagde haar achterban over haar voor sociaal-liberalen weinig herkenbaar beleid. “We hebben de indruk dat ze door alle tumult over de Van Randwijck en IRT-affaire te kwetsbaar wordt”, klaagde de Coornhert-Liga februari 1996. Volgens deze progressieve juristenorganisatie durfde de in het defensief gedrongen Sorgdrager niet meer haar liberale stempel te zetten op politieke gevoelige dossiers als de drugsnota. “Ze wil de softdrugsverkoop van dertig naar vijf gram terugbrengen. Hoe komt ze erbij?”, protesteerde de Liga.

Ook in andere opzichten raakte Sorgdragers politieke agenda steeds verder uit zicht. Tegen haar politiek geloof in liet ze deze kabinetsperiode meer dan drieduizend gevangeniscellen bouwen, “het grootste bouwprogramma van een minister van Justitie ooit”, constateerde ze zelf wrang. Tegenover deals met kroongetuigen, iets dat ze oktober 1994 nog stellig afwees als het 'vuile handen maken door de staat', staat ze inmiddels ook minder afwijzend.

De ironie wil dat Sorgdrager aan het einde van haar ministersperiode het slachtoffer dreigt te worden van twee sterke mannen die ze juist had binnengehaald om weer greep te krijgen op haar agenda. Ex-BVD-directeur en opperhoofd van het openbaar ministerie A. Docters van Leeuwen blijkt zich, gezien de rebellie van verleden week, niet te hebben neergelegd bij het gezag van de minister. Secretaris-generaal H. Borghouts, die sinds 1996 als hoogste ambtenaar het ministerie van Justitie met straffe hand bestuurt, wist niet van de betaalde bijbaan van procureur-generaal Steenhuis toen hij het bureau Bakkenist opdracht gaf om de verhoudingen tussen politie en justitie in Groningen te onderzoeken.

Door beide incidenten is Sorgdrager in een klassieke no-win-situatie komen te verkeren. Indien de minister binnenkort geen krachtige maatregelen neemt - zoals een PG ontslaan - omdat daar teveel juridische haken en ogen aanzitten, zullen politici zeggen dat Sorgdrager haar ambtenaren niet aankan. Maar als ze wel tot ontslag overgaat zullen ambtenaren wrang wijzen op de vele ontslagen die aan die heenzending zijn voorafgegaan en die de indruk wekken dat Sorgdrager wanhopig gezag probeert te verwerven via een actief ontslagbeleid.

In Den Haag wacht menigeen dan ook in spanning af hoe 'winning Winnie' het er deze week weer vanaf zal brengen.