De superieure kunstverzameling van De Menil

Begin deze maand overleed de Amerikaanse verzamelaar Dominique de Menil op 87-jarige leeftijd. Haar De Menil Museum in Houston dat zij tien jaar geleden begon, is bij het Europese publiek nauwelijks bekend. Ten onrechte.

The Menil Collection, Branard Street 1511, Houston, Texas. Open: wo t/m zo 11-19u.

HOUSTON, 26 JAN. Het begon in Parijs, in de jaren dertig. Dominique de Menil bezocht met haar echtgenoot, de in 1973 overleden zakenman John de Menil, het atelier van de surrealist Max Ernst. John de Menil vroeg Ernst een portret van zijn vrouw te schilderen.

Dit Portret van Dominique - een meisjesportret met fijne klassieke trekken tegen een nachthemel waarin pastelkleurige schelpen zweven - is nu het oudste stuk uit de omvangrijke collectie De Menil, die het echtpaar sedert dat eerste schilderij verwierf.

Het was een droom voor Dominique de Menil, die begin deze maand op 87-jarige leeftijd overleed, om een museum te stichten waar de intimiteit, welke zij ervoer met haar kunstwerken, bewaard zou blijven. Het publiek mocht er nooit museum-moe worden, het moest blijven genieten van het in alle rust overpeinzen van een schilderij. In 1987 werd die droom werkelijkheid, toen in Houston de deuren van het Menil Museum open gingen.

Het museum, ontworpen door de Italiaanse architect Renzo Piano (die ook Centre Beaubourg in Parijs ontwierp), moest er van buiten klein uitzien, maar van binnen juist ruim en hoog, vond de opdrachtgeefster. Voor de façaden van het rechthoekige blok gebruikte Piano witgeverfd staal en grijs verweerd cypressenhout. Voor de belichting ontwierp hij een stalen constructie met hellende betonnen platen die het licht filteren.

De belangrijkste verzamelingen gelden antieke, middeleeuwse en byzantijnse kunst, ethnografica, en de 20ste-eeuwse kunst. De 15.000 voorwerpen uit de verzameling - schilderijen, beelden, tekeningen, prenten, foto's en zeldzame boeken - zijn steeds voor een klein deel te zien op wisselende tentoonstellingen. Hier hangen de mooiste De Chirico's, de mooiste Yves Kleins, de mooiste Jasper Johns en Robert Rauschenbergs; en ook wanneer een kunstenaar met een klein aantal werken is vertegenwoordigd - Giacometti, Picasso, Matisse - zijn die feilloos gekozen. De zalen zijn weloverwogen en spaarzaam ingericht. Menil bezit van Max Ernst een superieure verzameling, zowel de vroege dadaïstische experimenten met fotografie, collage en frottage (afdrukken door wrijvingen met potlood en papier op bestaande structuren) als de late speels-poëtische schilderijen. Ook Ernsts geestverwanten, René Magritte, Marcel Duchamp, Francis Picabia, Giorgio de Chirico, zijn hier in Houston samengekomen.

Zeer zeldzaam is een kwetsbare studie van Mondriaan uit circa 1939, neergezet op een grote enveloppe, zo één met een nonchalant gescheurde gekartelde rand waar hij ongeduldig is opengemaakt. Met wat dunne houtskoollijnen schetste Mondriaan zijn raster, waarbinnen hij met gouacheverf drie kleurblokjes plaatste in geel, rood en blauw.

Het rood, dat zich van nature meer opdringt dan geel en blauw, is neergezet op het onderliggende deel van de enveloppe, waartoe een rechthoekje ter grootte van het kleurblokje in het bovenliggende deel is uitgeknipt. Mondriaan drong het rood dus letterlijk naar achteren, ten gunste van juiste visuele balans.

Behalve met het surrealisme hielden de De Menils zich intensief bezig met de Amerikaanse kunst van hun tijd: Barnett Newman, Mark Rothko, Jackson Pollock, daarna de Pop Artkunstenaars, en weer later de Land Art van onder anderen Walter de Maria. Ergens in de jaren tachtig, na Jean-Michel Basquiat, verloor mevrouw De Menil haar belangstelling voor de eigentijdse kunst.

Hoe divers ook wat betreft cultuur, stijl en tijdperk: de Menil-collectie vertoont een sterke innerlijke samenhang, met een religieus-geïnspireerde kunstopvatting als basis. Begin jaren veertig had het verzamelaarsechtpaar de Franse dominicaanse priester Marie-Alain Couturier (1897-1954) in Parijs ontmoet. Couturier, die Frankrijk was ontvlucht voor de nazi's, was een vurig pleitbezorger van een nieuwe religieuze kunst. Kunst was de belichaming van de menselijke geest en van het heilige, vond Couturier. Hij initieerde en begeleidde vele beroemde kunstopdrachten, zoals de kapel in St. Paul-de-Vence van Matisse.

In het voetspoor van Couturier gaven de De Menils begin jaren zestig aan Mark Rothko de opdracht om een serie doeken te schilderen voor een kapel. Rothko ontwierp een oktogonale plattegrond, waarvoor hij veertien donkere monochromen schilderde: drie drieluiken en vijf enkele doeken.

De kapel, vlakbij het museum gebouwd door de architect Philip Johnson, werd in 1971 ingewijd, een jaar na Rothko's dood. Bij binnenkomst lijkt de kapel beangstigend somber. Rothko's schilderijen, door hem black form-paintings genoemd, zijn diep donkerblauw en pruim-kleurig, bijna zwart. De totale compositie is streng symmetrisch. Afgezien van de monochromen en van een paar banken is de kapel leeg.

Het duurt enige tijd voor het oog aan het donker gewend is. Maar als het eenmaal zover is, verdwijnt elke sensatie van kleur en worden de doeken louter textuur; minieme maar precies georkestreerde nuances van mat en glanzend. Traag maar zeker bloeit het oppervlak als het ware open.

De ideeën van het echtpaar De Menil over de kunst waren hoog gestemd. 'Kunst leidt, als Jacob's ladder, naar een hogere werkelijkheid, naar tijdloosheid, naar het paradijs' schreef Dominique de Menil. Hun kunstverzameling beantwoordt volledig aan deze aspiraties. Of zou het andersom zijn, en heeft de kunst hun aspiraties gevoed en bepaald?