Antillen moeten uit een diep dal komen

Het gaat bijzonder slecht met de economie op de Antillen. De koopkracht van de bevolking daalt. Curaçao, dat bij de komende verkiezingen een dominante positie inneemt, heeft binnenkort wellicht geen geld meer om de ambtenaren te betalen. Kan premier Pourier zijn saneringsbeleid voortzetten?

WILLEMSTAD, 26 JAN. Ondanks de harde wind is het heet aan het Waaigat, het water in het centrum van Willemstad. Venezolaanse kooplieden verkopen vanaf hun gammele boten uit hun land meegebrachte vis, groenten en fruit.

De bejaarde Curaçaose L. Kirindongo is 's zaterdags vaste klant op deze kleurrijke mini-markt. “Een kilo vis rooie vis kost hier tien gulden, in de winkel betaal je minstens twee gulden meer”, zegt ze. Kirindongo moet op de kleintjes letten, want als alleenstaande - de vader van haar vier kinderen is overleden - ontvangt ze per maand 451 gulden van de overheid. De Antilliaanse gulden is 1,15 Nederlandse gulden waard.

Premier M. Pourier van de Antillen heeft aangekondigd dat de uitkering met een tientje omhoog gaat. Kirindongo heft beide handen en kijkt naar de blauwe hemel. “Wat is nou tien gulden?”, zucht ze. “Ik houd het op een goedkoop verkiezingsstuntje.”

Vlakbij de drijvende markt passeert een geluidswagen van de Partido Antia Restruktura (PAR), de partij van Pourier. In het veel gesproken Papiaments meldt de bestuurder dat “de zwakke economie op de Antillen zich dankzij de PAR herstelt” en “een gezondere economie brengt altijd meer werkgelegenheid en grotere welvaart met zich mee”.

Mevrouw Kirindongo maakt een wegwerpgebaar. “Het zijn mooie woorden. Alle veertien partijen op Curaçao beloven een hemel op aarde. Maar wat is de praktijk? De prijzen en tarieven gaan omhoog, allemaal. De gewone man wordt in zijn portemonnee gepakt.” De vrouwen om haar heen, temidden van een schare kwetterende kinderen, knikken bevestigend.

De dalende koopkracht is een van de belangrijkste onderwerpen in de Antilliaanse verkiezingscampagne, die tot nu toe saai verloopt en zelfs de rustigste in de geschiedenis wordt genoemd. De gebruikelijke toeters en bellen ontbreken, er is geen ambiente, geen sfeer. Deels is dat het gevolg van een overheidsmaatregel: het gezag wil kort voor het populaire carnaval niet al te veel rumoer en gedans op straat. Bovendien zijn de partijkassen slecht gevuld.

Bij de laatste opiniepeiling op Curaçao kwamen Frente Obrero i Liberashon 30 di Mei (FOL) en de Partido Nashonal di Pueblo (PNP) als grootste partijen uit de bus. De 'kleine' FOL werd bij de verkiezingen van 1994 nog weggevaagd, maar is overtuigd van een succesrijke terugkeer. “De mens moet centraal staan in dit land”, preekt lijsttrekker A. Godett. Met de FOL (de arbeiderspartij) in de regering wordt Curaçao “verlost van uitbuiting”, meent hij. “Binnen nu en een week wordt de regering uit Fort Amsterdam verjaagd”, roept hij strijdlustig op een bijeenkomst van zijn partij. De PNP maakt thans deel uit van de oppositie, die op de Antillen slechts 6 van de 22 zetels bezet. De PAR van premier Pourier volgde als derde in de enquête waarin 450 ondervraagden criminaliteit (56 procent), economie (24 procent), financiën (6 procent) en drugsgebruik (5 procent) als de voornaamste problemen van Curaçao noemde.

Op de Antillen hecht men geen al te grote waarde aan deze voorspellingen. De bewoners zijn tamelijk wispelturig als het om stemmen gaat. Velen geven toe dat ze nog niet weten wat ze zullen stemmen. Verkoper R. Evelina van een mini-supermarkt in Willemstad draagt een oranje pet met de tekst Frente Obrero, maar dat betekent volgens hem nog niet dat die partij volgende vrijdag op hem kan rekenen. “De molen hierbinnen beslist pas op de dag van de verkiezingen”, lacht hij, terwijl hij op zijn voorhoofd wijst.

Zijn collega P. Mercelina moet ook nog over zijn keuze nadenken, hoewel hij neigt naar Stanley Brown van C'93. De langharige Brown (59), de 'Antilliaanse Fidel Castro', leidde in 1969 een volksopstand op Curaçao, maar nu vindt hij dat het eiland de dertiende provincie van Nederland moet worden.

De zoon van het echtpaar Cicilia, magazijnbediende in een garage en wonend aan de Oranjestraat, is er ook nog niet uit. Zijn moeder wel: ze blijft leider Don Martina van regeringspartij MAN trouw. Haar echtgenoot is familie van Pourier en 'dus' zal hij het bovenste vakje van de PAR rood maken.

De fiscaal-jurist Pourier ligt dezer dagen hevig onder vuur. Een aantal partijen, van groot tot klein, roept dat zijn regering 'de gewone man' het leven zuur heeft gemaakt. Pourier verdedigt zich met de woorden dat hij niet anders kon. Hij trof in 1994 “een financiële puinhoop” aan. Het land zat naar zijn zeggen aan de grond. Pourier zag het als zijn eerste opdracht de economie op te vijzelen door de overheid - een waterhoofd - te verkleinen.

In het bijzonder op Curaçao, waar het zowel de landsregering als het eilandbestuur zetelt, hanteerde hij het mes. Veel ambtenaren werden ontslagen en er volgen er nog méér. Gezaghebber - zeg maar burgemeester - S. Betrian zei in zijn nieuwjaarstoespraak dat er in maart of april wellicht geen geld meer is om het overheidspersoneel in Willemstad uit te betalen.

Betrian meldde dat er een krediet van tweehonderd à driehonderd miljoen gulden nodig is. Nederland is bereid een lening te verstrekken, maar slechts op voorwaarde dat de Antilliaanse regering eerst overeenstemming bereikt met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) over sanering van de overheidsuitgaven en versterking van de economie. Minister Voorhoeve (Antilliaanse Zaken) heeft eerder een extra bedrag van 23 miljoen gulden beschikbaar gesteld om de sociale gevolgen van de economische crisis en van de sanering in de overheidssector op te vangen.

Pourier zei dezer dagen dat hij nu “bijna op koers” ligt als het om de eisen van het IMF gaat. Ook de deviezenvoorraad zou op peil zijn. Maar geld voor een broodnodige economische impuls is er niet. Wie het centrum van het keurige Willemstad ziet, kan nauwelijks geloven dat er sprake is van een malaise. De winkels liggen vol dure spullen, veel klanten gaan sjiek gekleed, en er rijden veel luxe auto's. “Wij, Nederlands personeel in de hier florerende offshore, merken weinig van de dip”, bekennen werknemers van een bank op een beach-party. “Veel Antillianen hebben het evenmin slecht, maar de gewone werkman wordt inderdaad hard getroffen.”

Een van die laaststen is J. Maduro, overbodig geworden bij de raffinaderij, in de toeristensector en later als straatveger. Hij is een van de vele werklozen - zo'n veertien procent van de beroepsbevolking - die het moeten stellen met een uitkering van driehonderd gulden per maand. De huur voor zijn huisje bedraagt maandelijks veertig gulden. Maduro heeft vis gekocht bij de Venezolanen aan het Waaigat en hij slentert met zijn zoontje naar de bushalte. “Voor één gulden tien zijn we thuis, gelukkig is het vervoer hier nog betaalbaar”, zegt hij.