Wij zijn geweldig; Steven Pinker over evolutie en menselijk bewustzijn

In ons hoofd dragen we een fijnzinnige instrumentarium mee, ontwikkeld in duizenden generaties van natuurlijk selectie, zegt psycholinguïst Steven Pinker. “Het punt is alleen dat we nooit zullen begrijpen hoe we onze hersen- activiteiten van binnenuit kunnen beleven”

Steven Pinker, How the Mind Works. Penguin books 1998, 660 blz. ƒ 65,65 (deze zomer in vertaling bij Uitgeverij Contact).

WAARTOE DE menselijke geest allemaal in staat is, blijkt het best als een vierjarig kind een verzoek uitvoert om een speelgoedje op een plank te leggen - duidelijker dan uit de werken van Shakespeare of Einstein. Aldus de psycholinguïst Steven Pinker, hoogleraar cognitiewetenschappen aan het MIT in Boston, in zijn nieuwste boek How the Mind Works.

Genialiteit is slechts een uitwerking van de capaciteiten die ieder mens met zijn geboorte heeft meegekregen, aldus Pinker. Een beetje genie moet eerst tien jaar hard werken voor er iets echt geniaals uit zijn of haar handen komt: zelfs van Mozart zijn de jeugdwerken nog vrij conventioneel.

Maar hoeveel moeiteloze krachttoeren komen er niet kijken bij die alledaagse handeling van een vierjarig kind? Omzetting van geluid in taal, inzicht in de aard van dat verzoek, beslissing om te gehoorzamen, herkenning van het speelgoed, oppakken ervan, wegleggen, enzovoorts.

Pinkers' boek, waarin hij zijn visie op de stand van zaken in de cognitiewetenschappen geeft, is één lang betoog over de complexiteit van het menselijk kunnen. Hoe kan het dat een kind al zo snel praat? Waarom kunnen we zo goed objecten herkennen? Waarom herkennen we zo snel gezichten? Waarom vinden we de liefde zo belangrijk? Waarom kan een onschuldig grapje in een café leiden tot een explosie van 'zinloos' geweld? Waarom is de jaloezie van vrouwen anders dan die van mannen? Waarom kijken mensen graag naar halfopen, heuvelachtige landschappen met veel begroeiing en paden? Waarom hebben baby's van een week oud al een gevoel voor getallen?

Het antwoord op al deze vragen luidt bij Pinker: aangeboren informatieverwerkende capaciteiten van de hersenen, in de loop van duizenden generaties in de evolutie vastgelegd als antwoord op de uitdagingen waar jager/verzamelaars mee te maken kregen. Zeer veel gedragingen en motieven zijn in de meest letterlijke zin voorgeprogrammeerd door de evolutie. We weten nog lang niet alles van het brein, schrijft Pinker, maar we weten in ieder geval wel in welke richting we de antwoorden moeten zoeken. De neurologische netwerken die tegenwoordig op computers worden ontworpen zijn kinderspel bij wat in ons hoofd zit.

Afgelopen week was Pinker een paar dagen in Nederland. Direct na aankomst uit Londen vindt hij een uurtje voor een gesprek, bij een kopje thee in de salon van een Amsterdams hotel. Niet àlles in het brein is genetisch voorbeschikt, zegt hij opgewekt. “Uit studies van eeneiige tweelingen die apart opgroeien blijkt dat op zijn hoogst 50 procent van de verschillen tussen de persoonlijkheid van ene mens en de ander samenhangen met de genen. De andere vijftig procent is iets anders. En het interessante is dat we niet weten wat dat is.” Bij het leggen van de bedrading in de hersenen spelen ook toevallige ontwikkelingen een rol, zo legt hij uit.

De menselijke geest vormt geen tabula rasa, 'in te vullen' door familieomstandigheden, wilskracht, cultuur of wat dan ook. Aldus Pinkers boodschap in How the Mind Works - dat hem na zijn bestseller The language instinct (1994) een uitgeversvoorschot van een half miljoen dollar opleverde. “Het brein moet informatie uit de zintuigen combineren met aangeboren veronderstellingen hoe de wereld eruit ziet, om gefundeerde conclusies te kunnen trekken.” Hoe anders kunnen we bijvoorbeeld met ons tweedimensionale visuele beeld voorwerpen in allerlei standen onmiddellijk herkennen?

Volgens het model van Pinker is ons hoofd letterlijk een zenuwcentrum van miljoenen hooggespecialiseerde informatieverwerkende modulen die allemaal met elkaar in verband staan. Geen wonder dat we complex gedrag vertonen. In The Language Instinct geeft Pinker een pagina's lange opsomming van fenomenen die bij àlle menselijke groepen voorkomen, zoals bijvoorbeeld: humor, getallen, familiecategorieën als vader/moeder/broer/zus, logische relaties als 'niet', 'hetzelfde', 'tegenovergesteld', flirten met de ogen, hygiëne, dans, status en prestige, verschillen tussen mannen en vrouwen, leiderschap, straffen, droominterpretatie, rouw om de doden. Er is meer aan de hand dan een algemene neiging een willekeurig rolpatroon te kopiëren, schrijft Pinker. Hij zet zich dan ook sterk af tegen wat hij noemt het standaard sociale wetenschappen model. “Dat mensbeeld functioneert als een hedendaagse religie. Mensen gaan er voetstoots van uit dat moeders verantwoordelijk zijn voor ieder aspect van de persoonlijkheid van een kind, of dat mensen gemakkelijk beïnvloed raken door de media.”

Het systeem van losse neurologische modulen biedt veel mogelijkheden. De mens is bijvoorbeeld evolutionair eigenlijk niet geschikt voor abstract denken. Niettemin lukt het aardig, omdat we daarvoor - slim! - ruimtelijke metaforen gebruiken die we zo goed kennen uit onze praktische handigheid in het manipuleren van ruimtelijke objecten. “We maken vermogens los van de domeinen waar ze oorspronkelijk voor bedoeld waren en gebruiken hun machinerie in nieuwe domeinen die in abstractie op de oude lijken”, aldus Pinker.

Toch blijven er raadsels in het menselijk bestaan, zelfs voor Pinker. In het laatste hoofdstuk, The Meaning of Life, schrijft Pinker dat we het menselijke subjectieve bewustzijn (de ervaring van groen als groen, of dat de zieke kies pijn doet) nooit zullen kunnen verklaren. Hetzelfde geldt voor het probleem van de vrije wil en het gevoel voor moraliteit: “Hoe kon ooit iets als 'behoren-te-doen' ontstaan in een wereld van atomaire deeltjes en planeten, van genen en lichamen?”, verzucht hij.

“Wij zijn organismen, geen engelen”, verklaart Pinker zijn berusting in deze raadsels. “Onze geest is via natuurlijke selectie ontwikkeld om problemen op te lossen die voor onze voorouders een kwestie van leven of dood waren. De geest is niet ontwikkeld om maar iedere vraag te beantwoorden die we kunnen verzinnen. We kunnen ook geen tienduizend woorden tegelijk onthouden, we kunnen niet zien in ultraviolet licht, we kunnen ook niet in gedachte het spiegelbeeld van een driedimensionaal object roteren. Onze geest dankt zijn kracht aan ruimtelijke inzicht, gevoel voor tijd en het vermogen tot het combineren van losse elementen. Maar aan het subjectieve bewustzijn en de kwestie van de vrije wil kleeft juist “iets zeer holistisch, iets van 'overal-tegelijk', 'helemaal-nergens' en 'allemaal-op-hetzelfde-moment'.”

Pinker biedt één troost. Dit filosofische onvermogen is “de prijs die we betalen voor ons combinerende brein, dat ons een wereld van woorden en zinnen, van theorieën en vergelijkingen, van gedichten en melodieën, van grappen en verhalen heeft geopend: precies die dingen die het de moeite waard maken om een brein te hebben.”

Het menselijk brein is volgens u een neurologische computer. Maar u weet niet waar ons zo dierbare zelfbewustzijn vandaan komt. Komt die combinatie niet neer op het oude filosofische schrikbeeld van 'het spook in de machine'?

Pinker: “Nee, er is geen spook in de machine, omdat er geen enkele reden voor is. Misschien hebben mensen als de filosoof Daniel Dennett gelijk en bestaat dat subjectieve bewustzijn van ons helemaal niet. Volgens hem is het subjectieve bewustzijn slechts een soort verwarde intuïtie, een misvatting. Maar zelfs als dat zo is, zou dat helemaal geen invloed op hebben op onze verklaring van het menselijke denken en het menselijk gedrag. Het maakt niet uit. Ik ga overigens niet zo ver als Dennett die geen verschil ziet tussen mensen en een robot die zo geprogrammeerd is dat hij precies handelt en beweegt als wij. Ik geloof oprecht dat ons subjectieve bewustzijn juist het meest voor de hand liggende ding is dat er bestaat. Volgens mij komt het voort uit de informatieverwerkende activiteit van het brein. Het is geen extra substantie of kracht of een apart handelend persoon, los van de neurologische netwerken. Het punt is alleen dat we nooit zullen begrijpen hoe we onze hersenactiviteiten van binnenuit kunnen beleven.”

Waarom kunnen we dat subjectieve bewustzijn niet gewoon in een eigen module in het brein onderbrengen?

“Dat is de oplossing die de neuroloog Michael Gazzaniga kiest. Ik geloof daar niet in. Bij subjectief bewustzijn gaat het om een soort deklaagje over veel andere modulen. Die van het bewustzijn van wat we waarnemen, van ons lichaam, en ook die van het bewustzijn van onze zorgen en angsten. Het is een aparte dimensie van àndere modulen, geen aparte module.”

Kunnen we niet gewoon gewend raken aan dat raadsel?

“Dat kan, maar het zal nooit bevredigend zijn. We kunnen het effect van narcose bestuderen, de verschillen met andere dieren. Maar op een zeker moment staan we voor raadsels. Als je op de staart van een aap trapt, voelt die aap pijn. Maar kan een kreeft pijn voelen, met zijn totaal andere zenuwstelsel? We zullen er altijd over blijven piekeren en het voor onszelf overdenken. Maar we zullen nooit dat beslissende gevoel van begrip hebben als wanneer we begrijpen hoe de longen werken, of waarom de zon is zoals ze is.”

De vrije wil noemt u ook een raadsel. Toch gaat u heel ver in de genetische bepaaldheid van gedrag, van babymoord door tienermoeders tot absurde kleinigheden als een voorliefde voor niezen in de lift of het dopen van toast in de koffie die gescheiden opgegroeide tweelingbroers gemeen bleken hebben. Is dat niet te gek? Is dat geen reductie van menselijk gedrag tot DNA?

“Hoe zo te gek? Goede reductie is hetzelfde als verklaren. Op het ene niveau zoek je de oorzaken van een fenomeen in combinaties van elementen. En die elementen verklaar je weer op een ander niveau van analyse. Onze lichamen bestaan uit cellen, die weer gemaakt zijn van moleculen en moleculen zijn chemische stoffen. Maar dat betekent niet dat een kikker niet bestaat als kikker of alleen maar uit chemicaliën bestaat. We elimineren die verschillende niveaus niet, we brengen ze alleen met elkaar in verband.

“Op dezelfde manier geloof ik dat onze gedachten en gevoelens niet verdwijnen als we ze verklaren. Maar het biedt nu eenmaal een bevredigend inzicht om te zien hoe ze voortkomen uit kleinere elementen, in dit geval mentale voorstellingen en doeleinden, die hun basis vinden in informatieverwerkende modulen, die weer bestaan uit neurale netwerken in het brein, die op hun beurt weer bestaan uit zenuwcellen. En wat is het alternatief? Als je niet gelooft in een ziel of in een apart spook in de machine, dan moet je er wel vanuit gaan dat al onze emoties en gedachten op een zeker niveau worden veroorzaakt door het brein.

Toch houden mensen er meestal niet van om te horen dat liefde een slimme truc is van de genen ten behoeve van de voortplanting.

“Ja. Maar die ongemakkelijkheid wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door een vergissing. Het is echt heel belangrijk om de zogenaamde motieven van genen, die slechts metaforen zijn, te onderscheiden van de reële motieven van mensen. Wanneer mensen seksuele lust voelen, of liefde, heeft dat niets met hun genen te maken. Ze willen gewoon met iemand naar bed, of bij de persoon zijn van wie ze houden. Pas als je vraagt waarom we zo in elkaar zitten dat we seks willen of verliefd worden, dan komen de genen aan de orde en hun metaforische wens om zich zelf zo wijd mogelijk te verspreiden. Mensen gooien dat allemaal op een grote hoop en denken dat we seks willen omdat we onbewust onze genen willen verspreiden. Onzin, ik denk helemaal niet dat we onze genen willen verspreiden. Ik wil mijn genen niet verspreiden, mijn vrouw en ik hebben besloten geen kinderen te nemen. Genen zijn genen, maar wij zijn organismen, en dat is iets anders. Ons brein is ontwikkeld door natuurlijke selectie onder de genen van jagers/verzamelaars. Maar we kunnen het nu voor heel andere dingen gebruiken. Kunst en filosofie zijn niet bepaald evolutionaire aanpassingen.

Is het idee van de neurale machine in ons hoofd onlosmakelijk verbonden met de evolutionaire verklaringen voor ons gedrag?

“Ik denk het wel. Door de menselijke geest te beschouwen als een samenspel van vele informatieverwerkende modules, kunnen we ontsnappen aan het idee dat aangeboren motieven betekenen dat de mens een geestloos dier is met territoriale plicht, seks-honger en instinctieve agressie. Want in zo'n society of the mind hoeft een bepaalde emotie niet gelijk in actie te worden omgezet. Een emotie moet zijn stem verheffen te midden van anderen. We hebben beoordelingsmechanismen, die bijvoorbeeld zeggen: dat zal iemand kwetsen en daar kun je later last mee krijgen. En door die netwerkpatronen kunnen de motieven zelf ook veel complexer in elkaar zitten dan de reflexen die we bij eenvoudiger dieren zien. Het brein werkt niet volgens een hydraulisch model waarbij een kracht wordt uitgeoefend die een zuiger in werking zet. Het gaat om zeer veel berekeningen en bewerkingen, via kruispunten, subroutines, enzovoorts. Veel computers bevatten ook beslismechanismen: als die en die variabelen boven die en die waarde komen, doe dan dat.”

Maar wie of wat in het hoofd neemt dan de beslissing?

“Bewustzijn bestaat in zekere zin uit deze strijd tussen de verschillende onderdelen van de geest. Er bevinden zich waarschijnlijk beslismechanismen in de frontale hersenlobben. Maar het bewustzijn is meer dan een beslismachine. Want soms, wanneer je op het strand in de zon ligt te luisteren naar de zee, neem je geen enkele beslissing, je denkt niet na over jezelf, en toch ben je je bewust van de warmte, het zand, de golven.”

In ons dagelijks leven staan we voortdurend in contact met onze neurologische denkmachine, via de taal waarin we denken. Wat is die denktaal, die u in uw boeken 'mentalees' noemt? Een soort MS DOS?

“Het zal wel een heel klein beetje lijken op DOS omdat DOS ooit bedoeld was om door een mens te worden begrepen. Maar omdat zo'n verbale taal niet zo'n efficiënte manier bleek om een computer te besturen, hebben we nu Windows en Macintosh, omdat je veel meer informatie kunt overdragen door ons ruimtelijke gevoel dan door taal.

“De naam mentalees is ooit als grap begonnen: de taal van het 'Mysterieuze Land van de Geest'. Want we denken niet in de taal die we spreken. Dat is heel duidelijk: als je een verhaal leest en je legt het boek weg, kun je je de woorden en de zinnen niet meer herinneren, maar je weet nog wel waar het over ging. Mentalees geeft structuur aan de gedachten, of die nu bestaan uit symbolen en concepten, of uit beelden of andere zintuiglijke vormen. Op het meest abstracte niveau zal het lijken op een soort logische notatie. Maar het is in ieder geval niet de taal die we spreken.”

Toch begon ik in het Engels te denken toen ik me voorbereidde op dit interview.

“Maar ik vermoed dat jij niet dacht in complete Engelse zinnen. Het waren gedachten waar kleine stukjes Engels aanhingen. Dat is heel wat anders dan echte Engelse zinnen. Het idee dat de menselijke geest gewoon gevuld is met taal (of met beelden) leidt tot allerlei dwaasheden. Je ziet het bijvoorbeeld met politiek correct taalgebruik dat er van uitgaat dat wanneer je de woorden verandert je ook de gedachten verandert. Het resultaat is dat we in de Verenigde Staten iedere vijf à tien jaar een nieuw woord krijgen voor de Afrikaanse minderheid. Zolang de emotionele lading van het onderliggende concept problematisch blijft, zal er telkens weer een nieuw woord voor worden bedacht. Over het woord voor hond hoor je nooit klachten.”