Van Mierlo schuldig aan het verval van D66; Een glanzende carrière krijgt een tragische wending

Sinds de jaren zestig is jarenlang vergeefs getracht tot nieuwe politieke verhoudingen te komen door staatsrechtelijke hervormingen en/of een herschikking van partij-politieke loyaliteiten.

D66 ontleent aan dit streven haar politieke bestaansreden. Ondanks gering politiek succes in dit opzicht heeft die partij zich met 'ups and downs' redelijk weten te handhaven en is zij bij de verkiezingen van 1994 zelfs gegroeid tot een middelgrote partij met 24 Kamerzetels. Zij heeft die politieke machtspositie gebruikt om althans op één punt van staatkundige vernieuwing te scoren, te weten de overbrugging van de negentiende-eeuwse tegenstelling tussen socialisme en liberalisme, die D66 bij haar oprichting als politiek achterhaald van de hand had gewezen en in eigen partijverband overbrugd heeft door een links-liberale opstelling te kiezen.

Maar in de partij-politieke verhoudingen bleef die tegenstelling nog voortleven ten voordele van de christen-democratie die PvdA en VVD telkens opnieuw handig tegen elkaar wist uit te spelen. In 1994 is D66 er ten slotte in geslaagd een kabinetsformatie af te dwingen waarin PvdA en VVD samen gingen regeren met D66 in de rol van politieke bemiddelaar in het kabinet en CDA voor het eerst in de oppositie. Dit paarse kabinet staat er bij de burgers redelijk goed op. Het is vooral de VVD die daarvan gezien de opiniepeilingen blijkt te profiteren, hoewel die partij slechts schoorvoetend voor het paarse kabinet gekozen heeft, terwijl uitgerekend D66 als initiator van dit kabinet in de opiniepeilingen steeds meer achteruitloopt en haar zetelaantal nu zelfs gehalveerd ziet.

Hoe valt die opmerkelijke tendens te verklaren en wie valt die neergang aan te rekenen? Bij de laatste peiling bleek Van Mierlo nog verreweg het hoogst te scoren bij de vraag wie lijsttrekker van D66 moet worden. Toch is hij primair verantwoordelijk voor de neergang van D66. Op een beslissend moment in zijn politieke carrière heeft hij een ernstige politieke beleidsfout gemaakt. Als prominent exponent van de politieke vernieuwingsbeweging der jaren zestig was zijn belangrijkste opdracht in de Nederlandse politiek om iets substantieels te realiseren van de staatkundige hervormingen waarvoor D66 in eerste instantie is opgericht. Het paarse kabinet bood hem daartoe een unieke mogelijkheid door daarin te opteren voor het ministerschap van Binnenlandse Zaken. Met zijn niet geringe politieke gewicht en prestige had hij zich in die functie eindelijk kunnen inzetten voor de staatkundige hervormingen die hij zelf al sinds 1966 dringend noodzakelijk acht en op die manier de vaak verguisde identiteit van D66 kunnen bevestigen en accentueren. In die functie was hij ook in staat geweest zijn politieke verantwoordelijkheid als politiek leider van D66 ten volle waar te maken en de politiek kwetsbare positie van die partij verder te stabiliseren.

In plaats hiervan heeft hij gekozen voor het ministerschap van Buitenlandse Zaken, waarvoor hij onmiskenbaar minder gekwalificeerd was, en liet hij de realisering van het staatkundig hervormingsprogramma van D66 over aan een VVD-minister van Binnenlandse Zaken die daar heel weinig voor voelde en die er dan ook bedroevend weinig van terecht gebracht heeft. Het wetsvoorstel tot invoering van een correctief wetgevingsreferendum stelt uit het oogpunt van politieke vernieuwing zo weinig voor dat daaraan voor D66 nauwelijks politiek krediet te ontlenen valt.

Door minister van Buitenlandse Zaken te worden heeft Van Mierlo zijn rol als politiek leider van D66 ook slechts ondermaats kunnen vervullen. Door zijn vele buitenlandse besognes heeft hij tevens onvoldoende gelegenheid gehad zijn opvolging als politiek leider tijdig goed voor te bereiden. Op weinig democratische wijze heeft hij onverhoeds als nieuwe lijsttrekker een typische vakminister voorgesteld die daar onvoldoende voor gekwalificeerd is, zoals de laatste maanden duidelijk is gekeken. Al is de Nederlandse politiek sterk technocratisch geworden, bij verkiezingen wordt toch nog altijd meer gevraagd dan technocratische bekwaamheid.

Van Mierlo, die zijn partij groot gemaakt heeft, is door dit alles in eerste instantie verantwoordelijk voor de verwarring waaraan zijn partij ten prooi is gevallen en voor haar dreigende electorale neergang, waardoor ook het door hem begeerde paars II in gevaar dreigt te komen. Zo krijgt zijn glanzende politieke carrière, nu die op het einde lijkt te lopen toch nog een zekere tragische wending. Jammer voor hem en zijn partij, maar wie in de politiek op beslissende momenten zijn kansen niet grijpt, krijgt daarvoor de rekening gepresenteerd.