Straf in zaak-Tjoelker negeert gevolgen

De telastelegging in Leeuwarden had beter gekund, maar de rechter had ook meer op de gevolgen van de mishandeling kunnen letten, meent G.E. Mulder.

In de zaak van de gewelddadige dood van Meindert Tjoelker legde het openbaar ministerie voor de Leeuwarder rechtbank aan drie van de verdachten het delict telaste zoals is omschreven in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht: het openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen, waarvoor een strafmaximum geldt van vier jaar en zes maanden. Wanneer zo'n misdrijf de dood ten gevolge heeft kan een straf van ten hoogste twaalf jaar worden opgelegd.

Ofschoon maar al te duidelijk was dat Tjoelker het leven had verloren als gevolg van de geweldpleging, speelde dit voor de benoeming van het feit geen rol. Want het staat op grond van de wetsgeschiedenis en de in de loop der jaren steeds gelijk blijvende jurisprudentie vast, dat alleen degene van de geweldplegers wiens handeling de dood heeft veroorzaakt onder de werking van het verhoogde strafmaximum valt. En in casu kon niet worden vastgesteld wie de dood had veroorzaakt - ik meen dat het slachtoffer werd doorgetrapt.

Had het openbaar ministerie er niet verstandiger aan gedaan om, in plaats van de telastelegging toe te spitsen op de openlijke geweldpleging, ook nog één of meer andere feiten, eventueel in combinatie met art. 141 Sr. ten laste te leggen? Dat is onder anderen geopperd door Schalken, in deze krant van 12 januari.

Het verloop van het gebeuren kan men zich wel ongeveer voorstellen. De drie (of vier) verdachten zijn bezig in een brooddronken bui een fiets op straat te vernielen. Daarover maakt Tjoelker een opmerking, die de daders in het verkeerde keelgat schiet. Zij vallen hem aan en plegen dan de gememoreerde geweldpleging.

Men kan zich al weer voorstellen hoe zoiets in zijn werk is gegaan. De een pakt hem beet, de ander geeft hem een mep, de derde gooit hem op de grond en ten slotte geeft één van hen het slachtoffer de trap waaraan deze overlijdt. Ik laat de mogelijkheid open dat er meer dan één trap is uitgedeeld.

Wanneer de toedracht zo is verlopen is de allereerste vraag die bij de buitenstaander rijst, of hier geen sprake is van een mishandeling, of zware mishandeling in vereniging gepleegd met dodelijk gevolg. Voor deze delicten is het strafmaximum zes, respectievelijk tien jaar. Bij een zodanige mate van samenwerking zou de dood van het slachtoffer zonder meer aan de drie medeplegers kunnen worden toegerekend (vgl. art.47-1 wetboek van Strafrecht).

Dat de drie zo nauw samenwerkten dat zij het feit 'medepleegden', lijkt mij buiten kijf. Ze waren eendrachtig bezig een fiets te vernielen (ook al een vorm van openlijke geweldpleging, namelijk tegen goederen). Ze voelen zich collectief aangesproken door Tjoelker en dan gaan ze er collectief tegenaan. Ze zijn frère et compagnon.

Niet bekend

Maar goed, het feit werd nu eenmaal telastegelegd als openlijke geweldpleging-sec, althans, daarvoor werden ze veroordeeld. Mocht op grond daarvan geen rekening worden gehouden met het dodelijk gevolg, waarvan helaas sprake was? Ik meen dat dit mocht, binnen de door de wet vastgestelde termijn van vier jaar en zes maanden. De wet legt enkel vast wat naar het inzicht van de wetgever de maximum-straf mag zijn voor het grootste onrecht bij de zwaarste schuld. Maar welke factoren de ernst van het feit en de zwaarte van de schuld bepalen is niet vastgelegd. De rechter mag bij zijn oordeel rekening houden met de door het delict aangerichte ontsteltenis, ontdaanheid, rechtsonzekerheid en andere negatieve gevolgen, waarin het delict voortleeft.

Die gevolgen werden in dit geval vooral bepaald door de dood van een slachtoffer als gevolg van de geweldpleging.

De straf moet beogen dat kwaad binnen de perken te houden. Gedane zaken nemen geen keer. Een vonnis en de tenuitvoerlegging daarvan kunnen echter dienen om de 'nietigheid', de 'onmogelijkheid' van het aangerichte kwaad symbolisch af te beelden en zo het door het misdrijf aangevreten gezag van de wet, als norm voor behoorlijk gedrag te herstellen. Gebeurt dat niet dan ontstaat het gevaar van eigenrichting of, nog erger, navolgingsdrang. M.P. Vrij, hoogleraar strafrecht in Groningen en na de oorlog raadsheer in de Hoge Raad werkte dit uit in zijn leer van de 'subsocialiteit'.

Wat betreft de navolgingsdrang gebruikte Vrij's opvolger in Groningen B.V.A. Röling het gezegde van de 'Power of the Beaten Path'. Het gaat hier om factoren die mede de schuld van de dader bepalen, in de mate waarin deze aan hem toe te rekenen zijn. (Ik meen overigens, met Schalken, dat de criminaliteit ook bevorderd kan worden door slap optreden van de overheid, of door haar handelen in strijd met de wet).

Natuurlijk zijn relschoppers niet mede aansprakelijk als een van hen van de gelegenheid gebruik maakt om een oude rekening te vereffenen en zijn vijand vermoordt. Daarvoor kan alleen hij worden bestraft. Maar hier had geen van de deelnemers aan het geweld de opzet een levensdelict te begaan. Bij ieder was sprake van riskant, grof geweld waarbij van het toeval afhing wie van hen de fatale schop gaf. Dat maakt het mogelijk om voor ieder dat feit voor de bepaling van de strafmaat in rekening te brengen. Er is een gedeelde kwaadwillige onbesuisdheid, een gedeelde grove schuld.

Het onderhavige feit kan dan ook worden bekeken uit twee gezichtspunten. Het valt onder openlijke geweldpleging en onder het medeplegen van mishandeling, respectievelijk zware mishandeling met dodelijk gevolg. Dat heet 'samenloop'. Maar de berechting zou eenvoudiger zijn verlopen wanneer het feit onder (zware) mishandeling met dodelijk gevolg zou zijn gebracht.

Dat zou ook meer overeenkomen met de bedoeling van de wetgever. Deze dacht bij openlijke geweldpleging aan een menigte. Wanneer een samengeschoolde menigte gewelddadig wordt, is het inderdaad onjuist om een individuele wandaad van één hunner aan de rest toe te rekenen, afgezien van de mogelijkheid van eventuele mededaders of medeplichtigen. Maar een groepje van drie, vier man is niet zulk een menigte. Zo denkt ook de Grote van Dale er over. In de jurisprudentie is in gevallen waarin het geweld werd aangericht door slechts enkele deelnemers art. 141 Sr. vaker toegepast. Maar dit is een gedane zaak die geen keer neemt.

Waar het om gaat is dat de rechter bij de bepaling van de sanctie rekening mag houden met een gevolg dat niet onder de delictsomschrijving valt. Dit volgt uit de algemene regel dat bij de bepaling van de grootte van het aangerichte onrecht en de zwaarte van de schuld de rechter rekening moet houden met tijdens het proces gebleken factoren. Deze factoren kunnen zowel in het voordeel als in het nadeel van de dader meewegen. De rechter moet daarbij oog hebben voor de mogelijkheid dat sommige gevolgen buiten proporties zijn opgeklopt. Aan hem de niet benijdenswaardige taak een en ander tegen elkaar af te wegen. In elk geval moet hij geen gevolgen wegmoffelen. Dat lijkt in Leeuwarden te zijn gebeurd.