Sprintcoach vecht tegen spook van Pfrommer

Als laatste opwarmer voor de Olympische Winterspelen in Nagano worden dit weekeinde in Berlijn dewereldkampioenschap- pen sprint gehouden. Zelden in de schaatshistorie had Nederland zo'n sterke vertegenwoordiging op de korte afstanden en zelfs kanshebbers voor de titels.

BERLIJN, 24 JAN. Op de internationale persconferentie bij de Berlijnse ijshal Hohenschönhausen bleef Jan Bos aanvankelijk onopgemerkt. Oud-schaatser Gerd Zimmerman, nu vice-president van de International Schaats Unie (ISU), eist alle aandacht op. Wat het deelnemersveld betreft hadden de regerende Duitse wereldkampioene Franziska Schenk en de Amerikaanse Chris Witty achter de tafel plaatsgenomen. De bescheiden Bos stond er wat verloren bij. Tot zijn coach Peter Mueller een einde maakte aan het gênante tafereel en Nederlands beste sprinter introduceerde bij een van de mensen achter de tafel. “Dames en heren, u kunt ook nog vragen stellen aan Jan Bos. Hij komt uit Nederland en rijdt erg snel”, zei een Duitse official.

Bos nam genadeloos revanche op de organisatie door fijntjes op te merken dat hij in '94 notabene in Berlijn de wereldtitel veroverde bij de junioren. “En ik was plan dat nu nog een keer over te doen.” In de zaal werd smakelijk gelachen om zoveel bravoure.

Het tafereel was kenmerkend voor de reputatie van de Nederlandse sprinters op het mondiale podium. Sinds het eerste WK in deze discipline, dat plaats had in 1970 in West Allis, hebben Nederlandse specialisten op de korte afstand slechts incidentele successen behaald. Ard Schenk, Jos Valentijn, Jan Ykema en Christine Aaftink waren 'pioniers' die zich slechts met moeite wisten te handhaven in een sterk veld van Amerikanen, Japanners, Russen of een enkele Oostduitser.

Vier jaar geleden besloot het sectiebestuur langebaan van de Koninklijke Nederlandse Schaatsenrijders Bond (KNSB) dat Nederland behalve bij de allrounders ook op sprintgebied toonaangevend moest worden. Er kwam een opleidingsteam onder leiding van Leen Pfrommer. De coach die zoveel successen kende bij de allrounders was een strenge vaderfiguur voor de jonge rijders en tevens geschikt wegens zijn vakmanschap. Inmiddels plukt de bond van die aanpak de vruchten aangezien Jan Bos, Erben Wennemars en Marianne Timmer zijn doorgedrongen tot de wereldtop.

De huidige sprintcoach, de Amerikaan Peter Mueller, vecht tegen het spook van Leen Pfrommer die met onenigheid vertrok bij de KNSB en inmiddels in de marathonwereld onderdak vond. Als één van de drie toppers dit weekeinde een aansprekend resultaat boekt is dat het werk van Pfrommer, als het misgaat wordt Mueller erop aangekeken. “Daarom klopt het ook niet. Ik heb nu de verantwoording voor deze drie rijders en zij zijn onder mij veel en veel beter gaan rijden”, zegt Mueller enigszins verbolgen. “Dertien keer stonden mijn schaatsers bij World-Cupwedstrijden op het podium. Acht rijden er op de 1000 meter inmiddels onder de 1.14 minuten.”

De KNSB is content met de verrichtingen van de voormalige succescoach van Bonnie Blair en Dan Jansen. Ondanks het feit dat Mueller Gerard van Velde niet op gang kreeg met de klapschaats. Sectiebestuurlid Jan Augustinus: “Ik hoop nog lang met Mueller door te gaan. Hij weet de rijders op het mentale vlak heel goed te motiveren. Hij staat midden tussen de schaatsers en heeft toch genoeg autoriteit. Van Velde kan zich overigens beter toeleggen op de 1000 en 1500 meter.”

Mueller heeft de taak het sprinten in Nederland verder van de grond te tillen. “Nederland is rijp voor het sprinten”, meent Augustinus. “Op de NK waren dit jaar voor het eerst een paar duizend toeschouwers. Ik zie voor deze discipline een heel grote toekomst omdat elke rit boeit, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de tien kilometer bij een allroundkampioenschap.”

Hoewel hij budgettair dezelfde mogelijkheden heeft als zijn allroundcollega's, ontdekte Mueller inmiddels ook nadelige kanten aan het Nederlandse werkklimaat. Zoals een druk programma in en buiten de landsgrenzen. “De Amerikanen en Japanners komen hoogstens voor een paar wedstrijden naar Europa. Wij reizen van hot naar her.”

Daarnaast is er in Nederland paradoxaal genoeg altijd te weinig ijstijd. Mueller: “Buitenlandse collega's zeggen weleens jaloers tegen mij: 'Jij hebt het makkelijk met zoveel ijsbanen'. Maar je kunt op elke accommodatie hoogstens een uur per dag terecht omdat het recreatieschaatsen zo belangrijk is voor de inkomsten. De kracht van Calgary is dat het ijs altijd in een superieure conditie verkeert en vijftig uur per week openstaat voor toprijders. Dat trekt veel talent aan. We moeten in Nederland meer jonge schaatsers op zeventien of achttienjarige leeftijd voor het sprinten interesseren.”

Dat gebeurde met Jan Bos. Aanvankelijk een allrounder, zelfs tweevoudig wereldkampioen junioren, tot hij door de KNSB gedwongen werd zich toe te leggen op de korte afstanden omdat hij geen tien kilometer kon rijden. En nu zegt Muelller: “Bos is mentaal en fysiek sterk genoeg om de eerste Nederlandse wereldkampioen sprint te worden.”