Rousseau

Toen ik een jaar of acht was verzamelden mijn moeder en ik wilde bloemen; die werden gedroogd, in een cahier geplakt en ondertiteld, als ik mij goed herinner, met de gewone namen, niet de Latijnse. Het boek werd begonnen tijdens een zomervacantie, aan zee; als ik het opendeed was ik onmiddellijk terug op het geschoren gras van de zonnige heuvels in Zuid-Engeland. Ik kan me het boek nog voor de geest halen: wat buikig, door de dikke distels die ik er in had gepropt - en mijn moeders onderschriften, in haar beste schoonschrift in blauwe inkt.

Ik kreeg ook een kleine Schoolflora, in stof gebonden en de titel erop geborduurd in groene kruissteek. Beide boeken zijn verdwenen, ik weet niet wat er mee gebeurd is. En misschien zou ik nooit meer aan dat cahier met gedroogde bloemen hebben gedacht als ik niet Rousseau's beschrijving van zijn herbiers (plantenboeken) had gelezen.

Rousseau (1712-1778) schrijft in Rousseau juge de Jean Jacques dat hij jarenlang het grootste deel van zijn tijd besteedde aan plantkunde. Hij ging vaak botaniseren en (hij duidt zichzelf hier aan in de derde persoon) legde “een immense collectie planten aan; hij heeft ze met oneindige zorg gedroogd en met grote zorgvuldigheid geplakt op papier dat hij versierde met rode kadertjes. Hij legde zich toe op het bewaardblijven van vorm en kleur van bloemen en bladeren, zodat deze aldus bewerkte herbiers ware bundeltjes miniaturen werden.” Hij maakte er vaak cadeaus van (weinig genoegens zijn groter dan zulke teksten in een goed verzorgde uitgave te lezen; deze wetenswaardigheden komen van het uitstekende notenapparaat bij Rousseau's Oeuvres complètes in de Pléiade-uitgave) en op een gegeven moment overwoog hij ze te verkopen, “maar de 18e april 1773, na maar twee miniatuur plantenboeken voltooid te hebben, kwam hij tot het inzicht dat hij teveel ondernomen had”). Een zo'n herbier bevindt zich in de Bibliotheek van Neuchâtel en een ander in het Botanisch Museum van Berlijn.

In het zevende hoofdstuk van Rêveries d'un promeneur solitaire zegt Rousseau dat hij nooit meer zal terugkeren naar de plaatsen waar hij placht te botaniseren: 'ik zal ze nooit terugzien, deze mooie landschappen, deze wouden, meren, rotsen en bergen waarvan de verschijning altijd mijn hart heeft bewogen: maar nu dat ik deze gelukkige streken niet langer kan doorkruisen hoef ik mijn herbier maar op te slaan en weldra word ik er teruggebracht.' In 1770 verkocht hij al zijn boeken behalve die over plantkunde en zijn herbier, maar in 1776 verkocht hij ook die en hij gaf zijn herbier weg. Maar toen, het volgende jaar, vijfenzestig jaar oud, besloot hij plotseling de plantkunde weer op te vatten: “nu ben ik ernstig bezig met het wijze voornemen het hele Regnum vegetabile van Murray uit het hoofd te leren en alle planten der aarde te kennen.”

Regnum vegetabile was de titel van J.A. Murrays inleiding bij Systema vegetabilium (1774) van Linnaeus. Rousseau was een groot bewonderaar van Linnaeus: “Ik ken ter wereld geen groter man dan hij [...] ik ben hem mijn gezondheid, ja zelfs mijn leven verschuldigd”, schreef hij. Dit was op een tijdstip dat er een diepe kloof was tussen de volgelingen van Linnaeus en die van Buffon. Linnaeus ontwierp een groot systeem met categorieën waarin de verschillende soorten pasten; Buffon zocht naar analogiën en delicate verbindingen tussen de soorten; hij gaf de voorkeur aan beschrijvingen boven definities en had kritiek op Linnaeus, zeggend het maken van definities verspilde tijd was. Kortgeleden verscheen in de London Review of Books een artikel hierover van Armand Marie Leroi. Linnaeus, schrijft hij, “verwaardigde zich nooit op deze kritiek te antwoorden, maar hij gaf wel een plant met een hoogst onaangename geur de naam Buffonia”. Het moet een opwindend tijdperk zijn geweest; je voelt je er bijna in verplaatst als je ziet hoe Rousseau de plantnamen van Linnaeus al gebruikte vlak nadat ze ontstaan waren.

In het tweede hoofdstuk van Rêveries d'un promeneur solitaire beschrijft Rousseau een wandeling in een nog wonderbaarlijk landelijke omgeving van Parijs, door dorpjes vol tuinen en wilde bloemen. Hij begon op de boulevards, ging verder tot Ménilmontant en Charonne en wandelde door wat toen nog was “het riante landschap dat deze dorpjes scheidt”. Daar vond hij enkele planten die “schaars waren rond Parijs”, en hij noemt ze bij hun Latijnse namen: Picris hieracioides, Bupleurum falcatum en Cerastium aquaticum (komisch genoeg in de voetnoten terugvertaald tot picride, buplèvre en faulx en céraïste). Deze laatste was de zeldzaamste, schreef Rousseau, en in weerwil van het ongeluk dat later op die dag plaatsvond (hij werd omvergelopen door een Deense dog en raakte bewusteloos) verloor hij de plant niet en was in staat haar aan zijn verzameling toe te voegen.

Rousseau's Rêveries waren meditaties geïnspireerd door zijn omgeving en wat hem het meest inspireerde was de natuur, ook als afleiding van de depressies waar hij door geplaagd werd. Voor veel mensen, schreef hij, waren planten eenvoudig medicinaal, ze konden zich niet voorstellen dat iemand in de planten zelf geïntereseerd kon zijn. Maar de botanie is in feite de meest toegankelijke van alle wetenschappen, “l'étude d'un oisif et paresseux solitaire”. Dat is het begin van de moderne tijd, het eind van de middeleeuwse gedachte dat planten er alleen maar waren om als geneesmiddel te worden gebruikt (nu weer bezig in de mode te komen, met al die kruidentuinen en plantaardige middeltjes: Rousseau zou dat hebben afgekeurd).

Tuinieren is het kleine broertje van de botanie; het vereist geen wetenschappelijke benadering. Ik zocht Rousseau's wilde planten op en ben bang dat een tuinier heel wat minder aandacht aan ze zou hebben besteed dan hij. Picris hieracioides is 'echt bitterkruid', dat veel van paardebloemen wegheeft, en Bupleurum falcatum is een soort doorwas. Cerastium aquaticum kon ik niet vinden. Maar voor mij zijn alle drie voortaan onverbrekelijk verbonden aan Rousseau. En Rousseau zelf schreef dat het niet alleen maar om wetenschap ging, maar de “aaneenschakeling van bijkomstige ideeën”: de associaties, de herinneringen, die hem bonden aan de plantkunde. Zijn gedroogde bloemen brachten het verleden terug, herinnerden hem aan idyllische momenten van eenzaamheid en vrede, ze deden hem de wreedheid der mensen vergeten en al hun slechte daden, maakte hem gelukkig “zelfs overgeleverd aan het droevigste lot dat ooit een sterveling heeft gekend”.