Roep om politieke hervormingen klinkt alleen buiten het politieke establishment; Indonesië heeft behoefte aan een betrouwbare tweede man

Sinds de ijzingwekkende val van de roepia speculeert de wereld over een politieke omwenteling in Indonesië. Maar op de korte termijn heeft herstel van 's lands internationale crediet hogere prioriteit, vindt Dirk Vlasblom. In het centrum van de macht klinkt dan ook de roep om een vertrouwenwekkende tweede man naast Soeharto. Kandidaten dienen zich aan.

Nog slechts twee dingen kunnen Indonesië redden van een duizelingwekkende val in de economische afgrond: blokkering van de kapitaalrekening (stoppen van de slagaderlijke bloeding die kapitaalvlucht heet) en versnelde keuze van een vertrouwenwekkende kandidaat voor de functie van tweede man, naast (de voorlopig onvermijdelijke) Soeharto. De nieuwe vice-president zou, gezien de verzwakte gezondheid en het geërodeerde gezag van de oude heer, politiek meer op de voorgrond kunnen treden en zou tevens over zeer goede papieren beschikken om de president op te volgen. Deze keuze is cruciaal en zal in de nabije toekomst veel meer gewicht in de schaal leggen dan de even begrijpelijke als kansloze roep om snelle politieke hervormingen. Want die laatste klinkt vooralsnog alleen buiten het gesloten politieke establishment.

De eerste stap - drastisch stelpen van de financiële bloeding - druist in tegen het geloofsartikel dat vrij deviezen- en kapitaalsverkeer heet, en dat zowel wordt aangehangen door geldschieter IMF als door de economische technocraten in het kabinet. Buitenlandse bankiers in Jakarta houden er echter rekening mee dat de Indonesische regering zich op korte termijn genoodzaakt ziet de afbetaling van buitenlandse schulden te blokkeren, de deuren te sluiten voor in- en (vooral) uitgaande kapitaalstromen of anderszins de handel in roepia's aan banden te leggen. Een moratorium op schuldenaflossing zal zeer moeilijk zijn te verkopen aan het IMF en kan de toevloed van nieuw kapitaal voor jaren frustreren. Niettemin staan de schijnbaar van schrik verlamde beleidsmakers in Jakarta niet veel uitvalswegen meer open.

De tweede stap - de lancering van een vertrouwenwekkende tweede man - wordt sinds enige dagen bepleit in het centrum van de macht, namelijk door de weldenkende 'jonge' garde binnen regeringspartij Golkar, maar vereist, gewoontegetrouw, de zegen van Soeharto. Sinds het vice-presidentschap werd hersteld, in 1973, wachten Golkar en de strijdkrachten, de twee sleutelinstituties van de Nieuwe Orde, met de keuze van een kandidaat voor het vice-presidentschap totdat Soeharto formeel was herkozen en hij zijn voorkeur had bekendgemaakt.

Niettemin is er een recent precedent. In 1993 overvielen de generaals - die vreesden voor de kandidatuur van een burgerpaladijn van Soeharto - Golkar én de president, luttele weken voor de formele presidentsverkiezing, door hun populaire collega Try Sutrisno naar voren te schuiven als kandidaat tweede man. Golkar durfde toen geen 'nee' te zeggen en Soeharto zat opgescheept met een vice-president die hij niet zelf had uitgezocht.

In Jakarta wist men dat Soeharto zoiets geen tweede maal wilde meemaken. Tot enkele weken geleden durfde dan ook niemand namen te noemen vóór 10 maart, als het Volkscongres de eerste en tweede man aanwijst. Sindsdien is er echter veel veranderd. De irreële ontwerpbegroting die Soeharto op 6 januari presenteerde, werd in binnen- en buitenland afgebrand en de roepia duikelde tot ongekende diepten.

'Waarnemers', zo heet het, lazen in de Golkar-lijst met criteria voor kandidaat-vice-presidenten 'kennis van industrie en technologie' en dachten meteen aan minister van Onderzoek en technologie B.J. Habibie, een protégé van Soeharto. Boze tongen beweren dat dit gerucht in omloop is gebracht om deze kandidatuur bloot te stellen aan kritiek uit binnen- en buitenland: een proefballon met de onverholen uitnodiging hem lek te prikken. Hoe dat ook zij, de koers van de roepia sprak boekdelen: 'de markt' wil geen 'Habibienomics', de populaire term voor Habibie's welbekende spilzucht en minachting voor economische wetmatigheden. Daarmee lijkt deze weg afgesneden.

Donderdag haastten enkele prominente leden van Golkar zich om te verklaren dat de 'criteria' voor meerdere uitleg vatbaar zijn en dat er meer serieuze kandidaten zijn met kennis van zaken van industrie en technologie. Minister van Milieu Sarwono Kusumaatmadja, een intellectueel met een goede naam, ook buiten het establishment van de Nieuwe Orde, en professor Muladi uit Semarang, namens Golkar lid van het Volkscongres, pleitten er tegenover het dagblad Kompas krachtig voor dat Golkar “spoedig een juiste en doorzichtige keuze maakt” voor een kandidaat tweede man. Zij achten dit urgenter dan enigerlei politieke hervorming, maar houden de mogelijkheid open dat over eventuele kandidaten zal worden gestemd door het Volkscongres. Dat zou een novum zijn: sinds het aantreden van Soeharto was er slechts één kandidaat voor elk van beide hoogste ambten en werd er bij unanimiteit gekozen.

Belangrijker dan de procedure vinden de twee Golkar-mannen “spoed en doorzichtigheid” van de keuze. Snelle duidelijkheid over deze kandidatuur “zal een zeer grote invloed hebben op de economische en monetaire toestand in Indonesië”, aldus de beide heren.

Zij noemden drie namen: Habibie - waarschijnlijk alleen beleefdheidshalve, hij staat nog steeds dichtbij de president - de coördinerend minister van Economische Zaken, Hartarto, en de voorzitter van het nationale Planbureau (Bappenas), minister Ginandjar Kartasasmita. Hartarto maakte carrière in de staatsindustrie en geldt al heel lang als een voorstander van economische liberalisering en afbraak van dure monopolies. Hij staat goed aangeschreven bij buitenlandse collega's, maar heeft in eigen land één handicap: hij is geen militair. De strijdkrachten hebben in 1993 ondubbelzinnig laten merken dat zij bij het naderen van de suksesi voor het ambt van tweede man iemand met een militaire achtergrond wensen. Als ze daar aan vast houden, maakt van de drie genoemde kandidaten alleen de voormalige luchtmachtofficier Ginandjar een kans.

Ginandjar Kartasasmita is zelden in het nieuws, maar heeft een lange staat van dienst in de halls of power. Ginandjar Kartasasmita werd op 9 april 1941 geboren in Bandung, de hoofdstad van West-Java, en stamt uit een adellijke Soendanese familie. Hij is islamiet, maar volgde middelbaar onderwijs aan het katholieke Canisius-college in Jakarta. Ginandjar studeerde aan de Technische Hogeschool van Bandung, waar ook ex-president Soekarno zijn ingenieurstitel behaalde, en zette zijn studies aan het begin van de jaren zestig voort aan de Tokyo University for Agriculture and Technology. Sindsdien heeft hij goede contacten in Japan, waarmee hij zakelijk zijn voordeel deed. Terug in Indonesië volgde hij een officiersopleiding van de luchtmacht. Hij diende een blauwe maandag bij de onderzoeksafdeling van dat krijgsmachtonderdeel, maar maakte al snel - in 1968 - de overstap naar het staatssecretariaat, een soort ministerie van Algemene Zaken dat een belangrijke rol speelt bij de wetgeving.

In 1988 stootte hij door naar het kabinet. Hij werd minister van het strategische departement voor Energie en Mijnbouw. In die functie onderhandelde hij met grote spelers uit het internationale bedrijfsleven: de oliemaatschappijen en de Amerikaanse kopergigant Freeport. In het huidige kabinet, dat eind maart wordt vervangen, is hij voorzitter van het nationale planbureau met de rang van minister.

Sinds afgelopen najaar bezet hij ook een partijpolitieke sleutelfunctie als voorzitter van de Golkar-fractie in het duizendkoppige Volkscongres, dat straks de president kiest. En - geen onbelangrijk detail - na de kortstondige ziekte van president Soeharto in december was hij het eerste kabinetslid - zelfs het eerste niet-familielid - dat op huisbezoek ging bij de president. Temidden van een diepe monetaire crisis en een steeds luidere roep om verandering rijst de ster van deze militaire technocraat.