Rechtsstaat

In NRC Handelsblad van 14 januari heeft Gerard Spong zijn visie gegeven op het vonnis in de zaak-Tjoelker. De strafrechtelijke juistheid van zijn betoog spreekt, althans voor gespecialiseerde juristen, voor zich. Staatsrechtelijk gezien rammelt zijn bijdrage echter.

Hij stelt dat het in het algemeen ongepast is dat een minister van Justitie zich bemoeit met de strafrechtspleging, in dit geval door haar verbazing te uiten over de rechterlijke beslissing. Zij zou daarmee ongeoorloofde druk zetten op het gerechtshof in Leeuwarden. Verder noemt hij een voorbeeld van een vergelijkbaar incident in de zaak Johan V., waarbij hij zichzelf als advocaat benadeeld voelt. Concluderend stelt Spong dat ministeriële interventie in lopende strafzaken de minister ontsiert omdat zij daarmee de schijn wekt de rechter te willen beïnvloeden.

Hoe haar werkelijke intenties ook zijn, de opvatting van Spong getuigt van een eenzijdige kijk op het Nederlandse staatsbestel. Vanuit rechtsstatelijk oogpunt bezien dient een scheiding van de uitvoerende en de rechterlijke macht zo veel mogelijk te worden gehandhaafd en zou de minister zich wellicht van beïnvloedingspogingen moeten onthouden. Ons bestel is echter evenzeer op democratische leest geschoeid, wat betekent dat de minister een belangrijke rol te vervullen heeft als door het volk (indirect) gekozen bestuurder en daarmee als uitdrager en katalysator van het publieke gevoel. Zij zal, binnen de grenzen die de rechtsstaat aan haar optreden als minister stelt, het publieke gevoel dan ook in het openbaar moeten verwoorden. Daarom is het van groot belang in een democratie dat de minister zich bij gevallen als de zaken Tjoelker en Johan V. juist niet onthoudt van publiekelijk commentaar maar naar eer en geweten reageert op de gebeurtenissen. Anders zal de kloof tussen de politiek en het volk werkelijk onoverbrugbaar worden. Een beetje demagogie en populisme hoeft hierbij ook niet te worden geschuwd. De minister zal daarbij zelf het precaire evenwicht tussen rechtsstatelijke grenzen en democratische behoeften dienen te bewaken.

Ook puur vanuit de scheiding der machten beschouwd zijn de uitlatingen van de minister overigens niet zo dubieus als Spong beweert. De rechter heeft zich in Nederland over het algemeen niet bijster gevoelig getoond voor invloeden van buitenaf, of het nu gaat om de publieke opinie of om een minister en zal dat ook nu niet doen. Dat is immers ook zijn taak als onafhankelijk rechter. Kortom, de opwinding van Spong over het optreden van minister Sorgdrager is niet alleen eenzijdig, maar ook enigszins overtrokken. En we mogen blij zijn met een minister die aantoont te beseffen dat stilzwijgen ongepast is als de samenleving in beroering is gebracht.