Rechtspsycholoog Hans Crombag over de utopische verleiding; 'Hoed je voor hoogdravende ideeën'

De tijd van de grote utopieën mag dan voorbij zijn, maar de samenleving is ongemerkt doordrenkt geraakt van utopistisch denken. En dat is zorgwekkend, vindt rechtspsycho- loog Hans Crombag, want 'die manier van denken tast het vermogen aan om nuchter met onze problemen te leven.' Over het geluk en de mogelijkheden om het ongeluk een beetje in banen te leiden.

Hans Crombag & Frank van Dun; De Utopische Verleiding; Uitgeverij Contact, Prijs: ƒ 49,90

De gezondheidszorg is een goed voorbeeld. Daar, zegt Hans Crombag, zie je een tendentie tot moralisering en een criminalisering van zieken. “Mensen zijn zelf schuldig dat ze ongezond zijn. Voorlichting is erop gericht dat iedereen gezond gaat leven, dus dat de gezondheidszorg steeds minder zal kosten. En als je niet meedoet, word je steeds meer voorwerp van kritiek. Je moet je leven veranderen, is de boodschap, je moet je bekeren. Zo'n ministerie van Volksgezondheid zit vol beleidsambtenaren, allemaal doctorandussen die ieder op hun eigen terreintje blauwdrukken en mooie plannen maken. Of het nu om gezondheidsvoorlichting, budgettering of volksverzekering gaat. Mini-utopisten zijn het, bezig de wereld mooi te maken.”

Sinds 1989, zou je denken, hebben de grote utopieën hun tijd wel gehad. Maar schijn bedriegt, betoogt rechtspsycholoog Hans Crombag (62): de utopistische denkwijze is gemeengoed geworden. Zozeer dat het karakter ervan niet meer opvalt. In hedendaagse discussies over economie en politiek, ethiek, gezondheidszorg en kwaliteit van leven zijn echo's te horen van de utopistische denktrant: geluk en samenleving zijn maakbaar en als de mens daar niet goed in past, moet hij bijgeslepen worden, veranderd of geheel vernieuwd.

In het pasverschenen boek De utopische verleiding, dat Crombag schreef met rechtsfilosoof Frank van Dun, geven zij in verschillende essays een kritische analyse van de ontwerpen voor een betere wereld. “Al die utopische programma's, die allesomvattende blauwdrukken voor een betere wereld komen op hetzelfde neer, hoe verschillend zij op het eerste gezicht ook lijken: weg met de verdeeldheid en eigenzinnigheid van mensen. De rol van de individuele mens en de maatschappelijke diversiteit wordt volstrekt onderschat.”

Crombag, als hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Limburg verbonden met de opdracht 'de gedrags- en maatschappij-wetenschappelijke bestudering van het recht', heeft “een reputatie van straatvechter” op te houden. Eerder verschenen van hem Dubieuze Zaken (met Peter van Koppen en Willem Albert Wagenaar) en Hervonden Herinneringen (met Harald Merckelbach). Dubieuze Zaken leerde rechters hoe zij, op basis van psychologische kennis over hoe mensen denken, minder slordig met bewijsproblemen zouden kunnen omgaan. De boodschap van Hervonden Herinneringen luidt grofweg dat je volwassenen, die zich tijdens een psychotherapeutische behandeling plots herinneren als kind slachtoffer van seksueel misbruik of een andere traumatische ervaring te zijn geweest, niet zomaar moet geloven.

Dat waren boeken over actuele problemen, die de nodige rumoer veroorzaakten. “Wij bekritiseerden de bestaande praktijk en gaven tevens aan hoe het anders moest. De utopische verleiding is daarom ook geschreven om mijn beeld als afstandelijk, beschouwend geleerde weer wat op te poetsen. Terug naar het nette deel van de wetenschapsbeoefening.” Dat betekent niet dat Crombag het onderwerp van De utopische verleiding minder urgent vindt of dat hier niets te veranderen valt: “Die manier van denken tast het vermogen aan om nuchter met onze problemen te leven.”

U maakt onderscheid tussen sociaal-economische en psychologische utopieën.

“Alle utopieën willen mensen gelukkig maken. Maar de definitie van geluk verschilt. Volgens de sociaal-economische utopieën, die meestal uit de socialistische hoek komen, valt geluk samen met het opheffen van materiële beperkingen. Geluk is overvloed, materiële welstand. Niets kost meer wat.

“De psychologische utopieën schrijven ook overvloed voor, maar slechts ten dienste van de subjectieve geluksbeleving van mensen. Je zou je moeten bevrijden van allerlei aandriften die ongelukkig maken, van destructieve emoties als jaloezie, competitie. Het gaat de psychologische utopisten om zielerust.

“Kenmerkend voor elk Utopia is het opheffen van alle individualiteit en het opgaan in het grote geheel. Geluk is bereikbaar als we maar ophouden onszelf te zijn en ons gezamenlijk inspannen voor de goede zaak. Dan zal de heilstaat komen. Mij lijkt dat hoogst onwaarschijnlijk. Maar stel dat die heilstaat er komt, dan krijg je precies het tegenovergestelde effect.”

Het leven zou dan juist heel saai zijn?

“Niet alleen saai, de mens zou zijn zelfbewustzijn kwijt raken. Wat utopisten ons brengen, is helemaal geen geluk. Bij het volmaakte geluk weet je niet meer wat er aan de hand is. Je verliest niet alleen je geluksbesef, je verliest tegelijk je identiteit. En dat noemen we in het boek de zelfvernietigende of utopische paradox. Net zoals mijn kat hier zo geweldig tevreden is, maar niet het idee heeft dat-ie daar nu zo speciaal gelukig over is en er evenmin weet van heeft dat sommige van zijn soortgenoten buiten op het asfalt een heel bruut bestaan hebben.”

Geluk bestaat alleen bij de gratie van het ongeluk?

“Precies. En dat heeft dus ook implicaties voor het denken over geluk. Mensen zouden moeten ophouden met grote plannen of blauwdrukken te maken.”

Maar dan vervliegt toch alle hoop?

“De hoop op het volmaakte geluk vervliegt inderdaad, en dat is maar goed ook. Het probleem van die mensen met allesomvattende blauwdrukken is dat zij de bestaande realiteit als een anomalie zien, die radicaal uitgeroeid moet worden. Vooral Marx is daar heel stellig over. Op de puinhopen van wat was, zou een nieuwe, volmaakte wereld gebouwd kunnen worden. Voor zover dat daadwerkelijk geprobeerd is, heeft dat slechts tot spectaculaire mislukkingen geleid, kijk naar de Sovjet-Unie.

“Je hoort weleens dat Marx' leer prima was, maar dat de concrete vormgeving geperverteerd is. Ons standpunt is dat de leer zelf pervers is, omdat ze de mens niet respecteert zoals die is. Die zou vervangen moeten worden door iets edelers, nobelers.

“En zoals ik zei, de utopistische denktrant is diepgeworteld in onze maatschappij. Al die nota's in de gezondheidszorg; al vijftig jaar worden er blauwdrukken en plannen gemaakt en er komt niks van terecht. Mensen blijven gewoon ziek worden en doodgaan - want van leven ga je nu eenmaal dood. Het zijn blauwdrukken waarvan we eigenlijk allemaal weten dat ze tot mislukken gedoemd zijn. Die manier van denken werkt niet!”

Wat zou u dan suggeren? Mensen verlangen toch naar verbetering?

“We willen mensen niet de les leren, we willen een fenomeen beschrijven. Wij zijn wetenschappers, geen maatschappijhervormers. In De utopische verleiding wordt ook geen alternatief aangedragen. We bekritiseren en becommentariëren anderen. En waarom zou je iets niet mogen kritiseren zonder zelf een alternatief te bieden? Komen wij met een even allesomvattend alternatief, dan treft ons hetzelfde verwijt als hen die we bekritiseren.

“Zolang men de menselijke aard respecteert, of de natuurwet zoals de christenen zeggen, is verbetering van het menselijke lot niet uitgesloten. Weliswaar moeizaam, maar het kan. Als je nadenkt over de verbetering van de wereld, zou je je veeleer moeten afvragen of er wellicht mogelijkheden zijn het óngeluk, dat ieder van ons onvermijdelijk treft, een beetje in banen te leiden. Wees praktisch, hoed je voor al te hoogdravende ideeën.”

U spreekt in het boek van een 'utopisch syndroom'? Dat duidt op een ziekte.

“Dat utopische syndroom is een samenvatting van die foute manier van denken die wij aan de kaak stellen. Die aannames daarvan zijn onverwezenlijkbaar, het streven daarnaar gevaarlijk. Denk weer aan de Sovjet-Unie, China, nazi-Duitsland. Het gaat inderdaad om een ziekte van het denken. Dat is een markante karakterisering van het utopisch syndroom.”

Dat utopische syndroom zou religieuze wortels hebben. Impliceert dat ook dat religieus denken een gevaarlijke manier van denken is?

Crombag zoekt voorzichtig zijn woorden: “Je zou het religieuze denken een vorm van utopistisch denken kunnen noemen, met de weg naar het beloofde paradijs, het eeuwige leven en zo. Maar je moet een duidelijk onderscheid maken tussen de christelijke orthodoxie en ketterse varianten als het millenarisme en gnosticisme. Mensen moeten zich leren aanpassen aan de beperkingen van de werkelijkheid. Onze rol op aarde is om met die beperkingen te leren leven en die ook te erkennen. Dat is het realiteitsbesef dat besloten ligt in de centrale doctrine van de christelijke orthodoxie. Leg je maar neer bij de feiten, een nuchter, haast wetenschappelijk standpunt eigenlijk.

“De millenaristen en gnosticisten daarentegen zien deze wereld als een anomalie. De huidige werkelijkheid moet worden vernietigd om het absolute geluk te bereiken. En dat zou kunnen door simpelweg te weigeren de werkelijkheid van de natuurwet onder ogen te zien. Bij de millenaristen en gnosticisten zie je dus dat utopische virus, de christelijke orthodoxie is juist anti-utopisch.

“Ik ben geen aanhanger van het christendom. Maar met die orthodoxe manier van denken over het lot van de mens heb ik beduidend minder moeite dan met het millenarisme of het gnosticisme, waarvan aanhangers bovendien dikwijls zeer gewelddadig waren.”

Zou het wellicht een menselijke behoefte zijn om je niet bij de feiten te willen neerleggen?

“Dat is het meest kenmerkende van utopistisch denken: de hang naar het volmaakte, die het vernietigen van het bestaande impliceert. En misschien is dat inderdaad een menselijke behoefte. Natuurlijk zijn we allemaal weleens ontevreden, ik zal de laatste zijn om dat te ontkennen. Je ziet ook een enorme vraag naar verlossende kennis. Als je kijkt naar de verkoopcijfers van The Tao of Physics van Capra of De Celestijnse Belofte van Redfield. Of dat mensen zich aansluiten bij allerlei dubieuze sekten. Ik zie dat als hedendaagse manifestaties van het utopisch syndroom.”

Hoe utopistisch is uw eigen vakgebied, de psychologie, eigenlijk met haar streven naar het verklaren en voorspellen van gedrag?

“De psychologie is geen utopistische wetenschap, hoewel wij geregeld worden geplaagd door utopisten die de boel behoorlijk in de war kunnen gooien. De humanistische psycholoog Maslow bijvoorbeeld, met zijn theorie over de hiërarchie van behoeftenbevrediging: mensen zouden streven naar zelfverwerkelijking zonder dat duidelijk is wat dat precies inhoudt. Of Freud met zijn psychoanalytische theorie. Alle psychologische theorieën over alles zijn fout. Toch zijn het die grote theorieën die aanslaan bij de leek. Dat ziet de buitenwereld als dé psychologie. Van de echte psychologie, van het gezwoeg in onze laboratoria waar men met vallen en opstaan kleine stukjes van het mysterie van de human mind probeert op te lossen, heeft de gemiddelde Nederlander geen weet. En voor zover men ervan hoort, vindt men het buitengemeen oninteressant. Want dat schiet niet op, hè, en het lost niets op.”

De door u bewonderde psycholoog, de behaviorist Bernard Skinner, schreef een utopische roman, Walden Two.

“Dat is een merkwaardig boek. Wie verwacht er nu zo'n vlucht van de verbeelding van iemand als Skinner, die zich als wetenschapper uitsluitend tot de observeerbare feiten beperkte en zijn dagen sleet in een door ratten en duiven bevolkt laboratorium? Door Skinner ben ik andere auteurs van het genre gaan lezen: More, Bacon, Bellamy, Gilman. In die utopische vertellingen zitten blauwdrukken voor 'het goede leven' verborgen. De schrijvers ervan zijn vaak politieke activisten, die hun politieke programma onder de vlag van literatuur aan de man proberen te brengen. Beoefenaren van de politieke theorie, zoals Plato, Fourier, Eisler en vooral Marx en Engels, proberen dat rechtstreeks te doen. Bij zorgvuldige analyse blijken hun ontwerpen echter precies hetzelfde te zijn als die van de verhalende utopisten, die juist door de meeste mensen voor fantasten worden gehouden.

“Overigens stellen wij in ons boek niet dat alle politieke filosofen lijden aan het utopische syndroom, alleen zij die zich toeleggen op allesomvattende oplossingen van de menselijke misère. Maar Skinner leed daar dus ook aan. In zijn laatste jaren pretendeerde hij dat zijn gedragstheorie dé oplossing is voor de mensheid en haar nood. Dat is door en door utopistisch, terwijl zijn experimentele werk dat beslist niet is.”

Kan de psychologie bijdragen aan een betere wereld?

“Ik zou liever zeggen: aan een minder beroerde wereld. Ik probeer dat bijvoorbeeld samen met Wagenaar en Koppen te doen. Met onze kennis van de psychologie en in het bijzonder die van het geheugen, proberen we iets op te lossen aan de problemen bij de strafrechtspraak. Daar gebeuren soms hele rare dingen, rechters kunnen zeer onlogisch denken.

“Uit psychologisch onderzoek weten we bijvoorbeeld dat wanneer je eenmaal een hypothese hebt gevormd in je hoofd, je daar heel moeilijk vanaf komt, ook al krijg je allerlei informatie voorgeschoteld tegen die hypothese. Wat je nu zou kunnen voorkomen is dat rechters, voordat ze moeten beslissen, een heldere hypothese in hun hoofd hebben. Zoals het nu gaat, bestudeert een rechter voorafgaande het proces eerst een dossier, vormt dus een opinie en gaat vervolgens beslissen. Dat lokt vooringenomenheid uit.

“Wij denken dat de psychologie iets kan bijdragen aan een beter verloop van het strafprocesrecht. Dat helpt de wereld niet. Dat schaft de misdaad niet af. Dat maakt het strafrecht niet volmaakt. Maar het lost wel sommige problemen op. Meer niet. En zo zijn er tal van psychologen die ieder op hun eigen terrein heel geduldig, heel kleine bijdragen leveren aan een minder beroerde wereld.”