Overheid eist dopingbeleid sportbonden

ROTTERDAM, 24 JAN. Als sportbonden geen “effectief dopingbeleid” voeren, zal de landelijke overheid de subsidie intrekken. Dat is het voornemen van staatssecretaris Terpstra (sport). Een aantal sportbonden, het Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken (NeCeDo) en de Vereniging voor Sportgeneeskunde (VSG) voelen veel voor een een centrale controle-aanpak.

Dit blijkt uit de antwoorden van minister Zalm (financiën) op de vragen van het Tweede-Kamerlid Vos (PvdA). Vos, tevens voorzitter van de Vereniging van Beroepswielrenners (VVBW), stelde zijn vragen naar aanleiding van het onderzoek door de FIOD bij huisarts Wim Sanders uit Geleen.

Zalm erkent dat er bij het onderzoek naar belastingfraude stukken zijn gevonden waarvan ten onrechte werd verondersteld dat ze niet onder het medisch beroepsgeheim vielen. Om het beroepsgeheim te garanderen werd de FIOD bij de huiszoeking bijstaan door een apotheekhoudend huisarts. Volgens Zalm is er over het algemeen voldoende bescherming tegen schending van het beroepsgeheim en de privacy van patiënten.

De kwestie-Sanders ziet de minister als een incident. De FIOD startte al in 1995 een onderzoek naar de praktijk van Sanders, een voormalig arts van de wielerploeg PDM. Voor de rechter werd vorig jaar duidelijk dat hij een aantal sporters verboden prestatiebevorderende middelen heeft verstrekt.

Zalm stelt dat handhaving van de dopingreglementering een verantwoordelijkheid is van sportorganisaties. De reglementen betreffen de opsporing en eventuele bestraffing van sporters die dopingregels overtreden. Ook begeleiders die betrokken zijn bij evidente gevallen van overtreding kunnen worden bestraft.

Het NeCeBo heeft onlangs duizend huisartsen gevraagd naar hun kennis van en mening over gebruik van prestatiebevorderende middelen. Tussen de 9 en 18 procent van de Nederlandse huisartsen zegt weleens met dopinggebruik door patiënten geconfronteerd te worden. Per jaar komen gemiddeld 1,6 patiënten naar de huisarts met vragen. In de meeste gevallen gaat het om mannelijke amateursporters die informatie willen inwinnen.

De huisartsen geven aan dat ze in 40 procent van de dopingconsulten vragen krijgen over de risico's en bijwerkingen. Het NeCeDo noemt het opvallend dat slechts 4 procent van de ondervraagde huisartsen over goede infomatie denkt te beschikken. Meer dan de helft van de ondervraagde artsen zegt de verboden middelen op de lijst van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) niet te kennen. En 56 procent van de huisartsen weet ook niet hoe ze aan informatie moeten komen.

De Vereniging voor Sportgeneeskunde zegt in een reactie dat artsen en sportbegeleiders hun kennis over doping moeten verbeteren. De Landelijke Huisartsen Vereniging pleit echter niet direct voor een nieuwe opleiding om de kennis over dopinggebruik te verbeteren. “Dat is ons een stapje te ver. Wij zijn er niet van overtuigd dat dit onderwerp in het takenpakket van de huisarts thuishoort. Misschien kunnen dergelijke patienten beter doorverwezen worden naar een sportarts of een sportmedisch adviescentrum.”