Onafhankelijkheid

ONDER DE WELLUIDENDE naam Rhapsody zijn de rechtbanken bezig de moderne informatietechnologie in te zetten om de bedrijfsvoering eigentijdser te maken. Om de rechtspraak het komende millennium binnen te loodsen is méér nodig; de gedachten gaan al uit naar een paperless court (electronisch procesdossier).

Goedkoop zijn de deuntjes van Rhapsody en opvolgers niet. De Nederlandse vereniging voor rechtspraak (NVvR) dringt dan ook al geruime tijd aan op een structurele verhoging van de budgetten voor de rechtspleging. Het gaat overigens niet alleen om moderne electronica, maar ook om nevenzittingsplaatsen die de gerechten dichter bij de rechtzoekende burger brengen.

Geen wonder dat de georganiseerde magistratuur ingenomen heeft gereageerd op het rapport-Leemhuis over toerusting en organisatie van de zittende magistratuur. Dit voorziet in structureel driehonderd miljoen gulden per jaar extra plus een eenmalige injectie van honderdvijfenzeventig miljoen gulden, voornamelijk voor nieuwe computerapparatuur. Deze tegemoetkoming heeft echter haar prijs in de vorm van “een onvermijdelijke hiërarchisering van de rechterlijke verhoudingen”. Daar plaatst de NVvR met reden een kritische kanttekening bij: deze hiërarchie komt al snel op gespannen voet te staan met de onafhankelijkheid die rechters nu eenmaal moeten hebben om te kunnen functioneren.

DE WINST VAN HET RAPPORT-LEEMHUIS is dat het de zelfstandigheid van de rechterlijke macht en haar gelijkwaardigheid met de andere hoofdbestanddelen van het staatsbestel benadrukt. Dat is minder eenvoudig dan wellicht lijkt. Uiteindelijk is het altijd de wetgever die de fondsen voor de rechtspraak voteert en berust politieke eindverantwoordelijkheid voor de besteding bij de regering. Eerdere plannen voor de modernisering van het beheer van de rechterlijke organisatie gaven de minister van justitie echter een onnodig grote vinger in de pap. Leemhuis c.s. willen dat er een eigen Raad voor de rechtspraak komt als hoogste beheersorgaan, enigszins vergelijkbaar met het nieuwe College van procureurs-generaal voor het Openbaar ministerie dat de laatste dagen zo van zich heeft doen spreken.

Anders dan dit college zal de raad niet inhoudelijke leiding kunnen geven aan haar sector. Maar ook ogenschijnlijk “administratieve” kwesties, zoals het procesbeheer, raken aan de onafhankelijkheid van de rechter, waarschuwden de president van de Hoge raad en de procureur-generaal bij dit college een jaar geleden in een ongebruikelijk scherpe brandbrief. De rechterlijke onafhankelijkheid staat overigens niet alleen onder druk door bedrijfsmatige maatregelen: het “kantoorkeurslijf”, zoals het nog niet zo lang geleden werd uitgedrukt in de Eerste kamer. Er heeft zich in de woorden van de commissie-Leemhuis ook een “intensief overlegnetwerk tussen en binnen de gerechten ontwikkeld”. Links en rechts worden rechterlijke beleidsafspraken gemaakt die richting moeten geven aan de wijze waarop afzonderlijke rechters individuele zaken afdoen. Toch kent de rechtspraak van oudsher, zelfs in barre tijden, slechts één vorm van hiërarchie, namelijk die van hoger beroep en cassatie, uitgeoefend op de openbare terechtzitting en niet in een oncontroleerbare netwerkstructuur.

GELDT HET GEBOD van onafhankelijkheid niet ook tussen rechters onderling? De commissie-Leemhuis vindt dat “de individuele onafhankelijkheid van de rechter niet moet worden overspannen”. Het is tegenwoordig mode te betogen dat die onafhankelijkheid niet berust bij de individuele rechter maar bij de gerechten als zodanig, of zelfs slechts bij de rechterlijke macht als instituut. Toch waarschuwde de president van de Hoge Raad H.E. Ras nog geen tien jaar geleden bij zijn afscheid tegen een dergelijke verdunning van de rechterlijke onafhankelijkheid, die het niet kan stellen zonder “de zelfstandigheid van de magistraat in zijn systeem”.

Natuurlijk leidt dat soms tot “vluchten in het eigen vak of celletjes vormen en het daar goed hebben met elkaar”, zoals magistraten onlangs eerlijk zeiden in een rondetafelgesprek van het Tijdschrift voor de rechterlijke macht. Maar interne onafhankelijkheid is onmisbaar wil de rechterlijke macht voldoen aan een onschatbare functie, die treffend is getypeerd als het “opkomen voor normen en waarden die in andere sectoren van het politieke proces in de verdrukking dreigen te komen”. Een serieuze kans op dit soort gehoor - wat iets anders is dan automatisch gelijk krijgen - is wat de burger ten diepste bij de rechter zoekt.

De commissie-Leemhuis biedt slechts een lapmiddel, een nogal theoretisch recht van de individuele rechter beroep tegen hiërarchische maatregelen aan te tekenen bij de Hoge Raad. Er is een sterkere erkenning nodig, waarbij mooi kan worden aangeknoopt bij de kleine vloedgolf van grondwetswijzigingen die tegen het einde van deze kabinetsperiode is losgekomen. Waarom wordt niet kort en goed in de hoogste wet van het land buiten twijfel gesteld: “de rechter is onafhankelijk. Hij is slechts aan de wet en het recht onderworpen”.