Mobiel werken dichtbij huis

“Hoe leven we straks? Waar werken we, waar slapen we? Hebben we een flexibed of wordt de slaapkamer meer dan ooit het middelpunt van ons huis?” Deze vragen vormen de basis voor een ontwerpwedstrijd die is uitgeschreven door een beddenfabrikant. Vragen “om over na te denken en de producten te ontwerpen die nodig zijn.”

Deze wedstrijd past geheel binnen de reeks van toekomstscenario's die allerwegen worden geschetst voor Nederland in de eenentwintigste eeuw. Wonen, werken, onderwijs, recreatie en gezondheid, geen enkel domein ontkomt aan bespiegelingen hoe anders het allemaal zal worden.

In de slaap-ontwerpwedstrijd wordt expliciet de 24-uurs economie genoemd als bron van veranderingen. Deze heeft direct te maken met de moderne informatie- en communicatietechnologie. Door dit laatste zijn allerlei contacten en uitwisselingen in met name het werk niet langer gebonden aan bepaalde vaste tijden en plaatsen. Hoe zeer Koot en Bie zich daar in hun Delta Plaza ook tegen verzetten, het gaat onmiskenbaar om een niet tegen te houden ontwikkeling.

Eens, nog niet zo heel lang geleden, werd het als ideaal gezien om arbeid wat betreft tijd en plaats te isoleren van overige levensbezigheden. Enerzijds kwamen daarom allerlei arbeidstijdenregelingen tot stand, voor de meeste mensen resulterend in een werkend bestaan van negen tot vijf. Wie daarbuiten moest werken was zielig en kreeg smartengeld in de vorm van toeslagen. Wat zij deden heette ook op niet mis te verstane wijze óverwerken. En continu-arbeid - de vroege voorloper van de 24 uurs economie - stond op de laagste trede van de sociale-statusladder. Behalve als het ging om artsen om wier dag en nacht klaarstaan nu juist weer een geur van sociale verhevenheid hing.

Anderzijds werden wonen en werken geografisch uit elkaar getrokken, als was het tweede niet iets waar je in huiselijke kring aan herinnerd wilde worden. Wonen kon men in de ene regio of buurt, in een dorp of stadsdeel met comfort, licht en ruimte. Werken moest liefst ver daar vandaan gebeuren in kantorencentra of op fabrieksterreinen.

Langzamerhand zijn de negatieve gevolgen daarvan bekend. Slaapsteden, waar vrouwen die geen bezigheden buitenshuis hebben in doodsheid vereenzamen. Werkende moeders die hun jonge kinderen in opvang of school op verre afstand van hun werkplek moeten achterlaten. Werklozen, die alleen maar aanspraak hebben aan elkaar en het contact met zichtbare arbeid verliezen. En ten slotte, maar niet het minste, de eindeloze files. De eerste drie bezwaren spreken wellicht economisch niet zo tot de verbeelding, het vierde des te meer.

Daarom is men in econonomische kring ook zo enthousiast over de flexibiliteit die met de communicatietechnologie binnen bereik komt. Voor allerlei functies is het helemaal niet meer nodig dat men zich alle dagen van de week met de auto verplaatst. Vanuit het eigen huis kan men in verbinding staan met wie ook maar van node is, wellicht inderdaad vanuit de eigen slaapkamer.

De eerste experimenten wijzen zelfs uit dat de productiviteit omhooggaat. Dit wordt toegeschreven aan het gebrek aan afleiding, zoals men die op de werkplek onder collega's vindt. Er blijkt thuis bijvoorbeeld ook significant minder koffie te worden gedronken.

Voor de werkenden zelf is dit echter meteen het overheersende nadeel: men voelt zich wel erg allenig. De slaapsteden krijgen er op die manier een eenzaamheidsversterkend element bij. Het moge zo zijn dat geld verdienen het belangrijkste motief is om te werken, het hebben van sociale contacten en deel zijn van een sociaal systeem staan stevig op de tweede plaats. Thuis aan beeldscherm en modem wordt het sociale wel erg virtueel.

Maar daar moet een oplossing voor te vinden zijn. Zoals vroeger werkplaatsen voor de diverse ambachten deel uitmaakten van de woonomgeving, zou ik me kunnen voorstellen dat in woonbuurten kleinschalige ITC centra worden gepland, waar bewoners dichtbij huis hun mobiele werk kunnen doen. Buurtbewoners zijn daar elkaars collega's. Werkende ouders weten hun kinderen dichtbij op speelgroep of school. Er kunnen eetcafés ontstaan voor tussen de middag waar ook niet-werkenden kunnen binnenlopen.

Het is aan de visionairen om zulke nieuwe woonwijken te bedenken en te realiseren. Kunstenaars die door de bestaande werkelijkheid heen kunnen kijken en bovendien niet in de valkuil terecht komen van simpelweg het bestaande te extrapoleren naar de toekomst.

Al met al lijkt zo'n buurt mij nu een aardig motief voor nog een ontwerpwedstrijd.