Mijn zusje op school

Jannie was in 1946 drie. Ze weet nog dat mamma de keuken binnenkwam met een kindje op haar arm en dat ze zei: je hebt een broertje gekregen, hoe zullen we hem noemen? Hansje, antwoordde Jannie argeloos, want er woonde een Hansje in de straat, daar speelde ze weleens mee. En toen kreeg ze te horen dat het kindje al een naam hád. Ja, dat was maar een grápje geweest.

Hans van Zomeren - ik geloof niet dat ik dat ooit op een boek had durven laten zetten.

Wat verder opvalt: dat mijn moeder, toen ze thuiskwam met de baby, door de keuken binnenkwam. Hier ging iedereen altijd achterom.

Het huis aan het begin van de IJsselstraat. Een villa noemden we dat. In ieder geval was het een kast van een huis, met de familie Van Gein aan de zonkant, de familie Slot aan de achterkant en de familie Hutgens aan de schaduwkant. Hutgens is de meisjesnaam van mijn moeder.

Toen ze er introkken - dat moet in '35, '36 zijn geweest - was de huur ƒ 2,80 in de week, en toen ze er weggingen - in de zomer van '55 - ƒ 4,60. Kort daarna liet Eimers, de transportondernemer, het slopen.

In het laatste oorlogsjaar was dit huis afgeladen geweest met evacués en toen was er een keukentje gemaakt op de overloop: mijn grootvader kon al dat soort dingen zelf. Zodoende was het Hutgens-gedeelte in '46 geschikt voor twee gezinnen. In het begin woonde mijn moeder met Jannie boven en opoe met opa, ome Kobus en Sjaantje beneden. Toen ik geboren was ruilden ze. Helemaal logisch lijkt dat niet - opoes gezinnetje was nog steeds groter dan dat van ons en ze háátte traplopen - maar zo was het: wij woonden beneden.

Op de begane grond werd het leven gedomineerd door de gang. Deze liep van een toch wel stijlvolle voordeur helemaal door tot de keuken, dat wil zeggen: langs de voorkamer, langs een diepe nis met deuren naar de plee en de kelder, langs de trap naar boven en langs de tussenkamer waar in december '54 mijn grootvader zou worden opgebaard.

Veertien meter, zegt de één, zestien de ander. Voor een kind, dat weet ik zelf ook nog wel, waren het meters vol duisternis en mogelijke gruwelen.

Jannie: 'Dan schuifelde ik door die gang en dan zei ik: je moet me niet aan het schrikken maken hoor, je moet me niet aan het schrikken maken.'

Want dan zat Sjaantje achter het gordijn dat daar was opgehangen tegen de tocht, of achter de dekenkist op het plateautje halverwege de trap. Sjaantje was formeel een tante van ons, maar naar leeftijd gerekend had ze een zusje kunnen zijn.

(Mijn moeder: 'Sjaantje heb ik eigenlijk opgevoed. Opoe heeft toen vier maanden op bed gelegen met trombose. Ze zei: als jij met dat kind de straat op gaat, denken de mensen dat het van jou is.')

Jannie: 'Sjaan was gewend door mamma bemoederd te worden en dat was nu natuurlijk afgelopen. Die heeft mij zo verschrikkelijk gepest.'

Sjaantje zat op de Julianaschool in de Kerkallee. Ze moest Jannie naar de kleuterschool brengen die ook in de Kerkallee lag. Mamma was tégen kleuterscholen. De bewaarschool, zei ze altijd. Daar brachten vrouwen de kinderen naartoe waar ze vanaf wilden zijn.

Dus dat Jannie toch naar de kleuterschool ging kwam door opoe. Voor opoe, altijd zwak ziek en misselijk, moest het stil zijn in huis.

Jannie: 'Ik wou niet naar die school. De kinderen zeiden: jij hebt geen vader, en dan zei mamma dat ik moest zeggen: ik heb wél een vader, hij is alleen maar ver weg - maar dat hielp natuurlijk niks. Ik geloof dat ik altijd liep te brullen in die tijd.'

Juffrouw Boerekool, herinnert ze zich. Juffrouw Boerekool en juffrouw Koek. 'Boerekool en Koek,' zegt ze, 'het lijkt wel een verhaal van Annie M.G. Schmidt.' (Mijn moeder: 'De apotheek was Koek, die juffrouw heette Hoek, met een ha.')

Dat mamma eten voor ons maakte, dat mamma ons naar bed bracht, daar herinnert ze zich niets van, niet uit die tijd. Wél een paar zwarte sokjes, die waren gebreid door Tante op Herwijnen. Die bleven rechtop naast je bed staan.

En dat mamma altijd haar best deed om het gezellig te maken, dat ze er met ons op uit ging, naar de IJssel, naar het bos, naar het kindertheater, naar familie, de broers van opa in Arnhem, ja sorry hoor, we móeten deze namen gewoon opsommen, die zitten zo vol betekenis: ome Willem (en tante Marie), ome Gerrit (en tante Sien) en, zij het in mindere mate, ome Kees (en tante Nel).

'Koude mensen,' zegt ze. 'Of misschien lag het aan de huisjes die ze hadden. Klein, donker, vochtig. Of de grappen die ze maakten, de harde stemmen van die mannen.'

(Mijn moeder: 'Ach Kobus, die werkten toch op de Sleephelling, die hadden de hele dag dat lawaai om zich heen.')

En dan weet ze, Jannie, ook nog dat we met ons drieën ('mamma en jij en ik') op de foto gingen voor Pappa in Indië. Toen had ze zo'n satijnig glimmend roze jurkje met een band om het middel.

Dat moment zit nog steeds achter cellofaan in het fotoalbum, samen met andere opnamen uit die jaren. Steeds heeft ze een sip gezichtje, een beetje bang, een beetje teleurgesteld. 'En altijd zo'n idiote strik in mijn haar.'

(Mijn moeder, als ik later dezelfde foto's met haar bekijk: 'Ja leuk, altijd een strik!' En als we terugbladerend in háár meisjesjaren verzeild raken - ook zij altijd met een strik in het haar.)

Jannie: 'Zie je wat een aantrekkelijke vrouw mamma toen was? Knappe verschijning. Mooie benen. Levendig. Sportief. Lenig. Die deed overal aan mee hoor. Zo herinner ik me haar van de kermis. Wij tweetjes kijken toe en houden haar tasje vast, en zij zit in de zweefmolen. Maar toen woonden we al in Rheden, toen was pappa al terug.'

(Mijn moeder: 'Woonden we toen al in Rheden? Ik meen dat het ergens in '48 of '49 was. Ik had voor het eerst nylons gekocht. Negen gulden zoveel. Ik ga in de zweefmolen en die kousen waren meteen naar de mallemoer. Nou, ik heb altijd overal aan meegedaan!')