Lesgeven in asbestpakken

et is ook nooit goed. Is iedereen hier eindelijk aan de slag, incasseert de belastingdienst miljarden aan meevallers en gaan zelfs de captains of industry in mei allemaal op Kok stemmen, komt de FNV roet in het eten gooien door luidkeels te beweren dat Nederland nog steeds ziek is. En veel ernstiger ziek dan Lubbers in zijn stoutste dromen voor mogelijk hield.

Het gaat niet langer om de ingebeelde ziekte van de arbeidsongeschiktheid, waar de CDA-staatsman zo tegen fulmineerde. Die ziekte is door Paars effectief bedwongen door een cocktail van privatisering, medische afschatting en sociale activering. De nieuwe kwaal komt ditmaal van binnenuit en openbaart zich in de ziel van de arbeidsmarkt. De Nederlandse werknemer voelt zich niet goed. De FNV constateert op basis van eigen onderzoek dat het actieve deel van onze bevolking in psychische nood verkeert en niet langer bestand is tegen de druk van de moderne arbeid. Maar liefst 66 procent lijdt aan stress en overspannenheid.

Hoe hoog het percentage onder de werkgevers ligt, weten de vakbonden niet, maar als men zich onderin de onderneming al zo ellendig voelt, moet het lijden aan de top helemaal onvoorstelbaar zijn. Daar eist de razendsnelle besluitvorming van de wereldhandel een voortdurende waakzaamheid en drukt de verantwoordelijkheid voor de winstcijfers oneindig veel zwaarder.

Het kapitalistisch wereldwonder dat zich in onze polder voltrekt is dus alleen maar mogelijk door een brute roofbouw op het geestelijk uithoudingsvermogen van alle betrokkenen. Wie daar geen acht op slaat, komt zichzelf en zijn collega's in de overvolle wachtkamer van de RIAGG straks tegen.

Heeft de FNV gelijk? Of is het een laatste poging de arbeidende klasse een collectief probleem aan te praten, waarvoor de bonden vervolgens een passende verzekering met ledenkorting kunnen aanbieden?

Ik weet het eerlijk gezegd niet. Mijn ervaring met de moderne werkorganistie beperkt zich tot die in het hoger onderwijs. Dat is een a-typische variant omdat ze op punten van winstmaximalisatie, innoverend vermogen en flexibiliteit ver achterblijft bij een gemiddeld dienstverlenend bedrijf in de private sector. Het werktempo zou daarom wel eens een stuk lager kunnen liggen. Dat neemt niet weg dat stress en overspannenheid ook bij ons welig tieren. Het opbranden van collega's is hier zelfs een dagelijks verschijnsel, en het is dat de afdeling Human Resources zo alert reageert met loopbaantrainingen en outplacement-trajecten, anders zou de hele organisatie een zwartgeblakerd staketsel zijn.

Uit het voortgezet onderwijs komen nog alarmerender berichten. Daar is het lesgeven alleen nog mogelijk in asbestpakken, wat op zichzelf al riskant is. Ton van Haperen heeft er vorige week in deze krant al op gewezen hoe belachelijk het is dat docenten in staking moeten gaan om hun wekelijkse verblijf in de onderwijshel tot 26 uur in plaats van 28 uur te beperken. Alleen al op grond van de Arbo-wet zou staatssecretaris Netelenbos hun moeten verbieden een klaslokaal met meer dan vijfentwintig havisten überhaupt te betreden. Het gezondheidsrisico dat men daarbij loopt is aanzienlijk.

Gelukkig bestrijkt dit sombere beeld niet de gehele werkelijkheid. Aan al dat opbranden zit ook een leuke kant, zo is mijn ervaring. Want hoewel al mijn collega's vroeg of laat stijf van de stress de werkplek moeten verlaten, komen de meesten toch ook weer terug. Zeker de laatste tijd, nu na de ziekteperiode geen wachtgeld meer gloort, korten ze hun verlof in en melden ze zich na precies een jaar weer aan de poort.

De eerste maanden beginnen ze meestal voorzichtig, met één of twee uurtjes 'op therapeutische basis', maar daarna zijn ze al snel weer volop aanwezig in de docentenkamer. Of liever gezegd, ze zijn daar volop afwezig omdat uit alles wat de teruggekeerde collega's zeggen en doen een serene desinteresse blijkt voor de dagelijkse beslommeringen van het onderwijs. Ik weet niet wat ze in dat overspannen jaar thuis, of in een ver land, uitgespookt hebben, welke ashram ze bezocht hebben of welke training bij Oibibio ze gevolgd hebben, maar het resultaat is een buitengewoon onthaaste werkhouding. Hun bijdragen aan de nut & noodzaak-discussies over de kwaliteit van het onderwijs bijvoorbeeld, die wij op bevel van de minister dagelijks moeten voeren, beperken zich tot een fijnzinnig, droog commentaar in de beste Zen-traditie. Die paar opmerkingen zijn meestal genoeg om de vergadering de vergeefsheid van haar inspanningen te doen inzien. Eenzelfde effect bereiken deze leermeesters in hun lesgroepen, die overmand door zoveel wijsheid wegzinken in een weldadige studierust.

Er zijn mensen die deze verlichte geesten in de hoek zetten als saboteurs van de vooruitgang, als ellendige cynici die met hun nihilistische prietpraat het onderwijs nog verder het moeras indrukken. Maar zo is het, denk ik, niet.

De kans bestaat dat we hier juist met martelaren van de vooruitgang te maken hebben. Met goudeerlijke collega's die opgebrand in het vuur van de onderwijshervormingen ons nu komen berichten dat heel wel leven mogelijk is aan gene zijde van de stress. Afgezanten van een onthaast koninkrijk. In het onderwijs zullen ze door het verder opdoeken van de wachtgeldregelingen weldra in de meerderheid zijn. Het opgefokte veranderingsklimaat, waar nu nog zovelen van ons onderdoor gaan, is dan verleden tijd.

Dat geeft hoop voor andere oververhitte sectoren in de paarse samenleving. De stress die zich daar als een olievlek uitbreidt is geen ziekte, maar een noodzakelijke overgangsfase die iedere organisatie doormaakt op weg naar meer innerlijke, meer spirituele arbeidsverhoudingen.