Kraak noch smaak; Mensen die slecht ruiken eten beter met sterk smakend voedsel

Afnemend reuk- vermogen op hogere leeftijd kan leiden tot ondervoeding. Sterker smakend voedsel is misschien een oplossing.

MEER DAN DE HELFT van de vijfenzestigplussers en meer dan driekwart van de mensen boven de tachtig ruikt niets meer, of vrijwel niets. Dat is verontrustend, want hoewel mensen vergeleken met veel andere diersoorten een bescheiden reukvermogen hebben is onze neus toch een heel belangrijk zintuig. Niet alleen als ingebouwd alarm voor brand, bedorven voedsel en luchtvervuiling, maar ook als stimulans voor een goed en gezond eetpatroon.

Mensen die niet goed ruiken beleven minder plezier aan hun eten. In extreme gevallen kan dat zelfs leiden tot ondervoeding. Onder ouderen is dat risico groter omdat zij vaak nog andere gezondheidsproblemen hebben die tot minder goede voeding leiden.

In het Academisch Ziekenhuis van de Vrije Universiteit van Brussel werd daarom enkele jaren geleden gestart met een onderzoek naar de oorzaken van verminderd reukvermogen. Onlangs promoveerde de Nederlander Martijn Griep op de resultaten daarvan. Griep heeft bij zevenhonderd personen van negentien tot negentig jaar het reukvermogen gemeten. Tegelijkertijd verzamelde hij gegevens over de voedingstoestand, de aanwezigheid van latente of chronische ziekten, medicijngebruik en de gebitstoestand van zijn proefpersonen.

Het betrouwbaar meten van het reukvermogen bleek een probleem. Uiteindelijk gebruikte Griep een methode waarbij de proefpersonen moesten snuffelen aan twee plastic knijpflessen met een kleine hoeveelheid vloeistof. Een van de flessen bevatte alleen oplosmiddel, de andere een kleine hoeveelheid van de geurstof isoamyl-acetaat, het aroma van bananen en rijpe peren. De proefpersonen moesten aangeven welke fles het sterkste rook, waarbij de hoeveelheid geurstof steeds iets werd verhoogd. Als iemand vijf keer op een rij de goede fles had aangewezen, werd die aromaconcentratie als de geurdrempel voor die persoon genoteerd.

Na statistische analyse was Grieps belangrijkste conclusie dat de leeftijd op zichzelf niet zoveel bijdraagt aan een slecht reukvermogen. Belangrijkere factoren zijn de aanwezigheid van een (latente) ziekte, de voedingstoestand en het al dan niet dragen van een kunstgebit. Dat laatste is niet zo gek als het lijkt. De geur van voedsel wordt voornamelijk via de neus- en keelholte waargenomen. Tijdens het kauwen komen er vluchtige geurstoffen vrij uit het eten, die uit de mond de neusholte binnendrijven. Goed gekauwd voedsel ruikt dus sterker en uit eerder onderzoek was al bekend dat bij mensen met een kunstgebit slechts een zesde van hun natuurlijke kauwvermogen resteert.

Daarnaast hebben kunstgebitdragers regelmatig last van andere mondproblemen, die nog verergerd kunnen worden door slechte mondhygiëne. De onaangename luchtjes die daar het gevolg van zijn worden ook waargenomen door de eigen neus. Maar door het aanpassingsvermogen van de zintuigcellen wordt die geur al snel niet meer opgemerkt. Het gevolg hiervan is dat ook de drempel voor andere geuren verhoogd wordt en het reukvermogen achteruitgaat.

Het verband tussen ziekte en ruiken heeft Martijn Griep met name bestudeerd bij nierpatiënten. Griep: “De nieren spelen een heel belangrijke rol in de algemene gezondheid en ze functioneren vaak slechter naarmate men ouder wordt. Dat heeft zijn weerslag op bijna alle andere organen en dus ook op de neus.” Het reukvermogen wordt zelfs al heel snel aangetast. “Personen met een beginnende nierziekte die poliklinisch werden getest hadden een even slechte reukzin als nierpatiënten in een vergevorderd stadium”, aldus Griep. De gebruikelijke behandeling van mensen met een nierziekte is dialyse, waarbij de opgehoopte giftige afvalstoffen uit het bloed worden verwijderd. Dit had geen positief effect op de reuk. Niertransplantatie daarentegen gaf de patiënt weer volledig zijn oude reukvermogen terug. De neus kan dus herstellen, maar er zijn enkele dagen of weken zonder contact met giftige afvalstoffen voor nodig.

Het is bekend dat veel andere ziektes, variërend van kanker en leverziektes tot neurologische afwijkingen als de ziekte van Parkinson en Alzheimer, ook een effect hebben op de geurwaarneming van de patiënt. Een belangrijke conclusie van het onderzoek van Martijn Griep is dat minder goed ruiken door niet-zieke mensen ook een signaalfunctie heeft; het kan wijzen op een verslechterende gezondheid. “Een geriatrisch arts van het Brusselse Academisch Ziekenhuis heeft onze proefpersonen zeer grondig gescreend. Een aantal ogenschijnlijk gezonde ouderen bleek toch een latente ziekte onder de leden te hebben. Deze mensen hadden ook een verminderd reukvermogen”, zegt Griep. Maar het verband is niet zo sterk dat bij iedereen die slecht ruikt meteen aan een ernstige ziekte moet worden gedacht.

Een derde aandachtspunt in het Belgische onderzoek was de relatie tussen ondervoeding en reuk. Slecht gevoede mensen ruiken vaak niet best, maar het is niet duidelijk of dat oorzaak of gevolg is. Dat betekent overigens niet dat er niets aan gedaan kan worden. Griep bekeek of het probleem te ondervangen was door het aroma van het voedsel te versterken. Die simpele oplossing bleek effectief. Proefpersonen van verschillende leeftijd kregen aardbeienyoghurt en stukjes gefrituurde quorn (een vleesvervanger) voorgeschoteld. Aan de yoghurt was per portie een hele of eenvijfde milliliter aardbeienaroma toegevoegd en de quorn was gemarineerd in een normale of dubbele hoeveelheid kruiden en kipsmaakstof. Voedsel waaraan extra aroma was toegevoegd bleek bij zeventig procent van de ouderen boven de zestig jaar beter te vallen dan de gewone variant. Jonge mensen, onder de dertig, vonden de uitgesproken smaak juist niet aantrekkelijk. Vervolgonderzoek moet uitwijzen of het aanbieden van voedsel met meer aroma ook leidt tot een beter eetpatroon bij ouderen.

In het jaar 2020 is 27 procent van de bevolking ouder dan zestig jaar. Een groot deel van die groep mensen zal slecht ruiken, zodat ze minder plezier aan eten zullen beleven. In sommige gevallen zullen ze zelfs ondervoed raken. Griep: “Aan leeftijd in jaren kun je als arts weinig doen, maar mijn onderzoek heeft aangetoond dat een slechte reukzin niet het gevolg is van ouderdom, maar van daarmee geassocieerde factoren. En die kunnen wel behandeld worden.”