IJstijdvegetatie

W.Z. Hoek, 1997. Palaeogeography of Lateglacial vegetations; Aspects of Lateglacial and Early Holocene vegetation, abiotic landscape, and climate in The Netherlands. ISBN 90-803900-1-1.

Nederlandse Geografische Studies 231 (handelseditie), ISBN 90-6809-250-2. W.Z. Hoek, 1997: Atlas to Palaeogeography of Lateglacial vegetations; Maps of Lateglacial and Early Holocene landscape and vegetation in The Netherlands, with an extensive review of available palynological data. Proefschrift Vrije Universiteit. ISBN 90- 803900-2-X.

Nederlandse Geografische Studies 231 (handelseditie), ISBN 90-6809-251-0.

WIE ZICH MET het in kaart brengen van de Nederlandse vegetatie bezighoudt, weet hoeveel problemen een onderzoeker ontmoet die probeert de Nederlandse vegetatie in het geologische verleden te reconstrueren. Toch is dat nu gedaan, voor het Laat-Glaciaal (de laatste fase van de laatste ijstijd), ongeveer 13.000-10.500 jaar geleden, en het begin van het daarop volgende, warmere Holoceen. Op 20 november promoveerde de aardwetenschapper W.Z. Hoek op dit onderzoek. In een bijbehorende Atlas geeft een groot aantal kaarten weer welke plantensoorten gedurende bepaalde tijdsintervallen op bepaalde plaatsen in Nederland voorkwamen. Monnikenwerk, dat op een indrukwekkende wijze ons beeld heeft verdiept van de vegetatie-ontwikkeling in Nederland binnen de beschouwde periode.

Het onderzoek geschiedde aan de hand van stuifmeel (pollen), dat in de bodem bewaard is gebleven. Een groot aantal monsters is daarop onderzocht, maar tevens maakte de onderzoeker gebruik van 'pollenprofielen' die in de literatuur zijn beschreven. Daarbij deden zich natuurlijk tal van problemen voor, omdat niet alle eerdere onderzoeken op gelijke wijze waren opgezet, en omdat de tijdsaanduidingen van eerder beschreven monsters niet altijd goed te herleiden zijn tot de C-14-waarden waarin de ouderdom van laat-glaciale verschijnselen nu gewoonlijk wordt uitgedrukt. Het proefschrift kan als een bijlage bij de atlas worden beschouwd: het dient vooral om een 'verhaal' te hebben dat min of meer fungeert als raamwerk voor de vegetatiekaarten, pollenprofielen, soortbeschrijvingen en tabellen in de atlas. Dit 'verhaal' omvat mede de laat-glaciale vegetatiegeschiedenis, die als volgt kan worden samengevat.

Omstreeks 13.000 jaar geleden was Nederland onder invloed van de toen nog heersende ijstijd grotendeels onbegroeid. De vegetatie bestond uit gras, zegge en dwergstruiken. Honderd jaar later werd het wat warmer en ontstond een kruidenrijke vegetatie met groepjes struiken en verspreide berkebomen, die tussen 12.400 en 12.100 jaar geleden tijdelijk in aantal toenamen. Een iets koudere fase volgde waarin de vegetatie weer verminderde, totdat, omstreeks 11.900 jaar geleden, de vegetatie weer dichter werd met open berkebossen en later ook open dennebossen. Deze ontwikkeling werd rond 10.950 jaar geleden onderbroken: de dennebossen stierven af en een (nieuwe) kruidenrijke vegetatie ontwikkelde zich; in Noord-Nederland kwam vooral veel kraaiheide voor. Toen de laatste ijstijd omstreeks 10.500 jaar geleden eindigde, konden de bossen zich opnieuw uitbreiden; vanaf 9.000 jaar geleden ontwikkelden zich uitgebreide loofbossen waarin achtereenvolgens eik, linde, iep en els tot ontwikkeling kwamen.

Het hier geschetste beeld is globaal. Uit het proefschrift komt een veel gedetailleerder beeld naar voren waaruit ook de invloed blijkt van de lokale bodemgesteldheid, die op haar beurt weer samenhangt met de vijf belangrijkste landschapsvormen: het stuwwallen-landschap, het keileem-landschap, het löss-landschap, het dekzand-landschap en het rivierenlandschap. Dat vier glaciale typen van afzettingen zo'n invloed hadden op het landschap - en dus ook op de zich daarop ontwikkelende vegetatie - hangt direct samen met het feit dat het landijs zich in de voorlaatste ijstijd wèl tot over Nederland (ruwweg tot de lijn Haarlem-Nijmegen) had uitgestrekt, dat er nauwelijks afzettingen bewaard waren gebleven uit het daarop volgende interglaciaal, en dat er gedurende het grootste deel van de laatste ijstijd weer een vrijwel vegetatatieloze (permanent bevroren) bodem was.

Hoek merkt op dat de belangrijkste veranderingen in de pollendiagrammen als gevolg van temperatuurdalingen te dateren zijn als 12.100, 11.500, 10.950 en 9.950 jaar geleden. Die tijdstippen komen goed overeen met momenten van wereldwijde temperatuurdalingen zoals die door andere onderzoekers zijn vastgesteld op basis van fluctuaties in de zuurstof-isotopen in ijskernen uit Groenland en in meer-afzettingen uit Zwitserland. Door deze correlaties bevestigt de onderzoeker als het ware tevens (opnieuw) de nauwkeurigheid van de ouderdomsbepalingen met C-14.

Het proefschrift van Hoek, met de bijbehorende atlas, zou voor iedere botanicus verplichte kost moeten zijn. Het schetst het beeld van een vegetatie-ontwikkeling onder invloed van natuurlijke processen, over termijnen die voor het opstellen van natuurbeleid te overzien zijn. Beleidsmakers die zich afvragen hoe bepaalde vegetatievormen zich in de toekomst zullen ontwikkelen, bijvoorbeeld onder invloed van een stijgende temperatuur, kunnen op basis van het werk van Hoek hypotheses vervangen door praktijkervaring.