Het slinkend jodendom in Cuba; De achterblijvers

Niet alleen de katholieken op Cuba profiteren van de 'heroriëntatie op de religie' die Castro heeft afgekondigd. Ook de joodse gemeenschap mag weer voor haar geloof uitkomen. Alleen: wie kan er nog Hebreeuws lezen na tientallen jaren exodus? Een fotoreportage van tropisch jodendom.

Is hier een kerk?'' Een doordeweekse ochtend in hartje Havana. Een zwarte Cubaanse in bloemetjesjurk is de orthodoxe Adath Israel-synagoge binnengelopen. Een oudere heer met een zwarte keppel op zijn hoofd verwijst haar naar een christelijke gebedsgroep vlakbij, twee straten links, een straat rechts.

Ze kijkt nieuwsgierig langs hem heen. Een handjevol oudere mannen en enkele dames, van elkaar gescheiden door een manshoge glazen wand, buigen zich over hun gebedenboeken. “Maar dit is toch ook een kerk?” “Dit is een synagoge mevrouw. Bij ons gaat het niet om Christus. Dit is de religie die er al voor het christendom was, begrijpt u?” De vrouw laat een stilte vallen en knikt ernstig. Dan vervolgt ze haar spirituele zoektocht in de wirwar van naar straatvuil stinkende stegen en de afgebladderde panden in deze wijk.

Waarschijnlijk hoort ze voor het eerst in haar leven over het bestaan van joden. Het is tientallen jaren geleden dat in de straten Muralla en Bernaza bijna uitsluitend textielwinkels en leerzaken van joodse eigenaars stonden. Dat in Cuba jiddische kranten van de drukpersen rolden en dat de Joodse Kappersbond demonstreerde voor betere werkomstandigheden.

De drie synagogen die nu nog in Havana functioneren, een traditionele in het centrum en twee meer liberale in de luxere Vedado-wijk, kijken wel uit om van zich te doen spreken. Ze zijn bang om de overheid voor het hoofd te stoten.

“Wij werken alleen mee aan een bezoek aan het buitenland als we zeker weten dat die persoon terugkomt”, zegt de arts en joodse leraar Alberto Méchoulan. “Als hij wegblijft, krijgen we als gemeente een slechte naam.” Ook bij het regelen van uitreisvisa voor emigratie naar Israel gaat men voorzichtig te werk.

Rond de Eerste Wereldoorlog kwamen joden uit Oost-Europa, Turkije en Marokko hierheen. Velen hadden zich rond het midden van de eeuw van kleine straathandelaars tot middenstanders opgewerkt. De huidige synagogebezoekers zijn achterblijvers. Het overgrote deel van de 15.000 joden die voor 1959 in Cuba leefden, verliet het eiland snel na de machtsovername door Fidel Castro. Degenen met de meeste kennis van de tradities het eerst.

In Castro's Cuba werd het aanhangen van een religie tot het begin van de jaren negentig beschouwd als antirevolutionair, dus verwerpelijk. Dat ontmoedigingsbeleid was trouwens een ongeschreven regel. De staat liet de joodse instellingen in principe ongemoeid. Maar vooral jonge joden lieten zich erdoor afschrikken, bleven weg uit de synagoge en de kennis van het geloof verflauwde.

Sinds 1975 is er geen koosjer restaurant meer in Havana. Door de vergrijzing moesten twee van de vijf synagogen in Havana hun deuren sluiten. Nog maar enkelen weten welke tonen op hoogtijdagen op de sjofar (ramshoorn) moeten klinken en welke gebeden dan worden gezegd. Zo kan het gebeuren dat José Miller, voorzitter van de liberale Patronato-gemeente, tijdens de Jom-Kippoerdienst geërgerd gebedskleden uitdeelt aan de mannen die uit onwetendheid nog geen van de kapstok hebben gepakt.

Tradities als de rituele slacht gaan wel ongehinderd door, maar niemand kan besnijdenissen verrichten of huwelijken sluiten. Het lezen uit de Thora of het zeggen van Hebreeuwse gebeden in de drie synagogen gebeurt vanaf een fonetisch uitgeschreven tekst. Voor de betekenis leest men de Spaanse vertaling.

Vrijwel alle synagogebezoekers hebben zusters, broers en kinderen in de Verenigde Staten, in Canada of Israel. Vaak zijn de banden afgesneden. “De ex-Cubaanse joden in Amerika zien ons als communisten. Ze willen niets met ons te maken hebben”, vertelt Abraham Berezniak, voorzitter van de orthodoxe Adath Israel-gemeente.

Naar schatting wonen in heel Cuba nu nog zo'n vijftienhonderd joden. Berezniak hoort bij het handjevol volhouders, die zoveel mogelijk volgens de joodse tradities zijn blijven leven. Net als de bejaarde musicus en componist Luis Chanivecky en de boer Salomon Gonte, die een stuk land buiten de stad bewerkt. Thuis een koosjere huishouding voeren met twee serviezen en gescheiden proviandkasten is met een gemiddeld Cubaans inkomen van 250 pesos, rond vijftig gulden, onbetaalbaar.

Op elk joods wandmeubel in Cuba staat wel een pak matzes of een flesje koosjere wijn uit voedselpakketten die voor de joodse feestdagen uit Panama en Canada naar de synagogen zijn gestuurd. Vaak naast een lang geleden uitgeschonken whisky- of shampoofles die een impressie van weelde moeten uitstralen.

Veel ouderen houden vol dat zij hun hele leven geen spoor van anti-joodse maatregelen hebben ervaren. Zoals Isaac Cohen, gepensioneerd kolonel. Hij toont een kleurenfoto van zijn twee zoons die trots poseren naast het piepkleine motorbootje waarmee ze in 1994 het strand van Miami bereikten. Zijn eigen teleurstelling in de Revolutie is pas van de laatste jaren. Of Samuel Sarfaty, diabetespatiënt, die in de voorhoede streed naast Castro en ook een hoge positie in het leger bereikte.

Een synagoge hebben deze seculiere joden lang niet van binnen gezien, moeten ze toegeven. Na de 'heroriëntering op de religie' in 1992 begon een voorzichtige opbloei van religieus leven op het eiland. Het leidde zelfs tot de aankondiging van een pausbezoek in januari. Als opmaat werd voor het eerst weer een openbare kerstnachtmis in Havana gehouden.

Tienerclubs en jonge gezinnen beginnen weer een normaal beeld in de synagogen te worden. Vooral de moderne Patronato-gemeente, waar vrouwen een actieve rol spelen bij de diensten, doet het goed. Door de steun van Amerikaanse en Canadese organisaties is er weer joods onderwijs voor de kinderen en volwassenen.

De drie synagogen in Havana hebben weer honderden leden. In kleinere Cubaanse steden als Santa Clara en Camaguey zoeken groepjes joden elkaar sinds kort weer op voor religieuze bijeenkomsten. “Ik heb als kind iets geleerd van het jodendom van mijn grootouders”, zegt de veertigjarige arts José Bender, die in het plaatsje Sancti Spiritus in midden-Cuba het joodse leven op de been helpt. “Ik dacht dat ik het niet miste. Tot ik een joods gezin leerde kennen. Ik had behoefte met ze te praten, had het gevoel dat we iets gemeenschappelijks hebben. Ik geniet er nu van om met andere joden bij elkaar te komen. Het is de behoefte aan spiritualiteit.”